Maandelijks archief: januari 2011

Heidepol

Op het terrein van het tegenwoordige Koonings Jaght liet jonkheer Brantsen in 1862 een ontginningsboerderij bouwen met de naam ‘Heidepol’. Hoogstwaarschijnlijk door te lage opbrengsten of doordat het nogal afgelegen lag, kreeg de boerderij telkens een andere eigenaar. De laatste eigenaar was de heer van der Eijck, directeur van een handelsvereniging uit Amsterdam die het complex van gebouwen en 30 ha land in 1938 kocht. Hij liet de boerderij afbreken en er een kapitale villa in Delftse School-stijl voor in de plaats zetten (fig.276). De eigenaar heeft er echter nooit gewoond omdat de oorlog uitbrak.

Fig. 276 Het landhuis in Delftse School-stijl. Bron: Historische werkgroep Schaarsbergen

In de oorlog trokken de Duitsers in het huis waarna, na de oorlog, de gemeente Arnhem het huis vorderde. In het huis kwam de Stichting Bijzondere Jeugdzorg die er de kinderen van NSB-ers ging heropvoeden (Werkgroep Schaarsbergen).
De Heidepol was een der eerste kinderkampen die met dit werk begon en hieronder staat een stukje over de werkwijze in de jaren direct na de oorlog uit de Arnhemse Courant van 8 juni 1946. Het artikel is de weergave van een gesprek met de heer Verwoerdt, die in de dagen na de oorlog de leiding had over Heidepol (Dorpskrant Schaarsbergen, 2000) (fig.276a).

De vrijheid voor de kinderen was beperkt hoewel er geen schildwachten stonden voor de bewaking. Men kon bijvoorbeeld niet vrij de stad bezoeken maar incidenteel kon men wel met een pasje de poort uit. In het kamp zelf was gelegenheid genoeg voor ontspanning, men kon naar hartelust spelen en ravotten in de bossen om het huis, sporten of lid worden van de padvindersvereniging.
De grootste moeilijkheid bestond uit het feit dat vooral de oudere kinderen besmet waren met de idee van de nationaal-socialistische ideologie. Met het organiseren van lezingen over bijvoorbeeld belevenissen in Dachau en door het inzetten van idealisten werd er goede vooruitgang geboekt met het op andere gedachten brengen van de kinderen.

De situatie zoals hierboven beschreven kan worden gezien als een stukje propaganda. Het was inderdaad de bedoeling dat de kinderen op andere gedachten gebracht zouden worden maar de manier waarop verschilde nogal met de hierboven beschreven situatie.
Naar nu blijkt was de sfeer in het gebouw er een van onderdrukking en terreur. Er blijken onder de ouderen die de heropvoeding hebben meegemaakt veel trauma’s naar boven te zijn gekomen. Men had het idee in een strafkamp te zijn aanbeland bij bewakers die niet onder deden voor de Duitsers. Lijfstraffen kwamen voor en zonder eten naar bed werd niet als uitzonderlijk beschouwd. Ook het opsluiten in de kelder werd toegepast. Geestelijk en seksueel misbruik kwam op een zodanige wijze voor dat de oudste meisjesgroep werd ontbonden en zij de lessen niet verder konden vervolgen. In de jaren daarna hebben zelfs verschillende mensen zelfmoordpogingen ondernomen dankzij deze zwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis.

Fig. 276 a Krantenknipsel uit 1946.

Het kan niet ontkend worden dat er zich vreemde zaken hebben afgespeeld in deze instituten in de naoorlogse periode maar over het algemeen was het personeel zeer begaan met het lot van de kinderen.
Mevrouw Opmeer (bijnaam Marijke) heeft veel goede herinneringen aan de naoorlogse periode waarin zij als hoofd huishoudelijke dienst en kleuterjuffrouw de zorg had over een groot aantal kinderen. Zij kwam uit Doetinchem en ging al op jonge leeftijd naar de Heidepol om daar te werken.
In deze periode moest men het in het begin stellen zonder water en elektra en men had de grootste moeite om aan voldoende voedsel (weinig voedselbonnen) te komen voor de kinderen die al op zeer jonge leeftijd hier ondergebracht waren (fig. 276 b,c,d).

Fig. 276 b,c,d Men zorgde zo goed als kon voor de kinderen, met de weinige middelen die men had. Men had een gebrek aan van alles, ook winterkleren. Bron: Mevrouw Opmeer.

Fig. 276 b,c,d Men zorgde zo goed als kon voor de kinderen, met de weinige middelen die men had. Men had een gebrek aan van alles, ook winterkleren. Bron: Mevrouw Opmeer.

Ook had men veel last van muizen die in grote getale aanwezig waren en het weinige voedsel aanvraten. Op een gegeven moment werd er zelfs door juffrouw Marijke gestaakt om meer voedsel voor de kleinsten te verkrijgen. Door de leiding werd ze toen onder handen genomen om haar verantwoording te nemen en men verplichtte haar om eierenpap te eten.
Haar klas bestond uit 32 kinderen die erg lief en aanhankelijk waren. Soms kocht zij van haar eigen geld boeken (sprookjes van Grimm) waaruit zij kon voorlezen.
De kinderen hadden het er soms erg moeilijk mee om in de Heidepol te verblijven. Mevrouw Opmeer herinnerde zich dat er zelfs enkele kinderen met kaalgeschoren hoofden waren die trots naar haar toe kwamen om hun nieuw aangegroeide haren te laten zien.
Pa en ma Verwoerd hadden de leiding en als er wat gebeurde dat niet door de beugel kon dan kwam het wel eens voor dat de jongens naar het ‘stoppelveld’ werden gestuurd om daar op het land boomstronken te verwijderen.

Fig. 276 e Een ontspannen sfeer heerste er ook bij het verzorgend personeel. Bron: Mevrouw Opmeer.

In het begin werd er geslapen in de vliegtuigloods die aan de overkant van de Koningsweg bij Vaassen was gesitueerd. Voor de oorlog bouwde en repareerde hij er zweefvliegtuigen die daar nu niet meer aanwezig waren. De jongens en meisjes sliepen hier gescheiden en het kwam wel eens voor dat er iemand afgekoeld moest worden in een koud bad.
De ouders van de kinderen verbleven in andere instellingen (De Kruisberg, Avegoor) en op geregelde tijden konden de kinderen hun ouders een bezoek brengen. Dit was soms een zware beproeving omdat de ouders het er niet mee eens waren dat hun kinderen van hen waren weggenomen.
Op Heidepol zelf heerste een ontspannen sfeer en de blokhut die de eerste eigenaar achter Heidepol had laten bouwen werd al snel gebruikt als ontspanningsruimte (fig. 276 e,f).

Fig. 276 f De blokhut die als recreatieruimte dienst deed en achter Heidepol gelegen was. Bron: Mevrouw Opmeer.

Men organiseerde voor de grotere jongens wel eens boksavonden en ook had men veel plezier met het in de avonduren achternalopen van Toon die al fluitspelend over de heide liep.
De mogelijkheid om een bezoek te brengen aan Arnhem was er ook. Men ging dan met de bellenwagen of liftend omdat eigen vervoer niet aanwezig was. De bellenwagen was een vrachtauto die men als bus had ingericht met twee planken aan de zijkant om op te zitten. Als je er vanaf wilde dan moest je de bel luiden. Voor de terugweg was er bijna altijd wel een militair bereid om een lift te verzorgen.
Voor ziektegevallen riep men de hulp in van dokter van Guilik die de bijnaam had van Sybasolletje vanwege het vele uitschrijven van dit recept.
De bedoeling was om de kinderen onder te brengen bij pleeggezinnen en als er dan een kind werd opgehaald dan werd dat vaak als een groot verlies ervaren door het personeel.

In 1952 werd het landhuis een hotel en als naam kreeg het ‘s Koonings Jaght. Na enige jaren
werd het hotel verkocht aan het Sociaal Pedagogisch Centrum dat er een internaat op algemene grondslag vestigde voor ernstig gehandicapten.

De A50 Ecoducten

De grens van het studiegebied wordt aan de oostzijde gevormd door de rijksweg A50.
Voordat de A50 werd gebouwd lag er al een tweebaansweg de N50 die zich door de heuvels van de Veluwezoom slingerde. De weg werd steeds drukker en gevaarlijker. Kreeg in dat tijdvak een normale autoweg 15 procent vrachtverkeer te verwerken, op de Apeldoornseweg was het al 75 procent van het totale aanbod. Het waren vooral de zware trage vrachtwagens die de weg zo gevaarlijk maakten. Zij konden de vrij steile heuvels niet snel opklimmen, moesten terugschakelen en veroorzaakten zo vrijwel dagelijks files. Nagenoeg elke vrijdagmiddag was de Arnhemse politie een paar man kwijt aan het regelen van het verkeer op de kruisingen van de Apeldoornseweg terwijl dikwijls de afrit van de rijksweg 12 moest worden afgesloten.
Na de aankondiging in het rijkswegenplan werd in provinciale en gemeentelijke plannen alvast rekening gehouden met een mogelijke aanleg van een rijksweg. Vervolgens ontstond de discussie over de exacte ligging van de weg (de tracéprocedure). Een tracévoorstel van Rijkswaterstaat (met varianten en voor- en nadelen) werd in alle betrokken gemeenten ter inzage gelegd. Rijkswaterstaat verzorgde voorlichtingsbijeenkomsten in de betrokken gemeenten. Tegen het voorstel kon binnen veertien dagen bezwaar worden aangetekend door belanghebbenden zoals organisaties met belangen op het gebied van landbouw, milieu of industrie maar ook individuele bewoners langs het tracé of door de betrokken gemeenten en provincies zelf. Nadat alle bezwaren behandeld waren door een speciale commissie (de Commissie van Overleg voor de Wegen van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, COW),

Fig. 273 Eén van de twee ecoducten over de A50. Bron: Veluwe 2010 een kwaliteitsimpuls. Provincie Gelderland.

werd uiteindelijk (soms na gerechtelijke uitspraken) een voorstel van de COW opgesteld. De Raad van de Waterstaat, een onafhankelijk adviescollege van de minister van Verkeer en Waterstaat stelde op basis van het COW rapport een advies op aan de minister. Vervolgens werd het definitieve tracé door de minister bepaald.
Na vaststelling van het tracé werd de aan te leggen weg ingepast in gemeentelijke bestemmingsplannen. In het bestemmingsplan was het tracé verder uitgewerkt, inclusief toevoerwegen, wegkruisingen en maatregelen tegen geluidshinder. Deze bestemmingsplannen moesten goedgekeurd worden door gemeenteraden en Provinciale Staten waarbij belanghebbenden opnieuw bezwaar konden aantekenen. Voor deze fase werd uitgegaan van een periode van drie tot vijf jaar. Nadat alle eventuele bezwaren behandeld waren (soms na uitspraak van de Kroon) was de planologische fase afgerond. Bij de Rijkswaterstaat was men vooruitlopend op de definitieve start, alvast begonnen met voorbereidende werkzaamheden (Chevallier, 1995).
De afbraak van een nederzetting markeerde de start van de aanleg van de autosnelweg. Huizen verdwenen, bomen bleven staan. De karakteristiek van de snelweg Arnhem – Woeste Hoeve in een notendop: natuur boven alles op de verkeersveiligheid na, aldus een krantenartikel uit de Nieuwe Krant van 18-08-1984.

De gevolgen van de A50
Voor wandelaars, fietsers en natuurliefhebbers is deze weg zo’n beetje de slechtst denkbare oplossing van een verkeersprobleem. Voor de natuur en recreatie zou het beter zijn geweest als de weg om de Veluwe heen zou lopen en niet er doorheen. Voor de fauna zijn wegen onoverbrugbare barrières. Voor de natuur kwamen er twee ecoducten om edelherten en andere dieren de drukke autoroute over te leiden (fig.273), vijf tunnels speciaal voor dassen en een brandweertunnel om snel eventuele bosbranden te kunnen blussen.
Van de ecoducten wordt veelvuldig gebruik gemaakt en voldoen goed. Wil men echter het centraal Veluws natuurgebied inrichten tot één groot leefgebied dan zijn er meer ecoducten nodig om ook wilduitwisselingen tussen het gebied en de uiterwaarden mogelijk te maken (fig.274).

Fig. 274 Om een centraal Veluws natuurgebied te ontwikkelen voor grote zoogdieren (in dit geval het edelhert) dienen er nog enkele ecoducten te worden bijgebouwd. Bron: Veluwe 2010 een kwaliteitsimpuls. Provincie Gelderland.

Maar er zijn ook grote offers gebracht voor deze weg.
Natuurmonumenten moest een aantal hectaren inleveren (en kreeg in ruil een stuk heidegebied terug).
Het autogebrom is over kilometers afstand midden in de natuurgebieden nog goed te horen.
De vegetatie in de nabijheid van de weg is verarmd door de neerslag van uitlaatstoffen.
De weg is een barrière tussen grote natuurgebieden zoals de Veluwezoom en de Veluwe.
Groenendaal ten noorden van Terlet raakte stukken grond kwijt toen zij werd uitgekocht, Vliegveld Terlet moest een deel van haar lierbaan afstaan, de golfclub Rosendael kreeg een nieuw parkeerterrein in ruil voor een stuk grond, etc. In officiële termen noemt men dit compensatie in goederen.

Nederland heeft het dichtste wegennet van Europa en daarmee de grootste versnippering van gebieden. Ruimte voor natuur is schaars en dat geldt ook voor de Veluwe. Het gebied is doorsneden door een uitgebreid netwerk van rijkswegen, provinciale wegen en gemeentewegen. Daar komt nog bij dat de verkeersstromen enorm zijn toegenomen (fig.275).

Fig. 275 De toename van het verkeer op de provinciale wegen op de Veluwe in 15 jaar. Bron: Veluwe 2010 een kwaliteitsimpuls. Provincie Gelderland.

Veel verharde wegen en de toename van autoverkeer resulteren in een ernstige aantasting van de kwaliteit van de Veluwe. De wegen blokkeren een ongestoorde wildtrek en veroorzaken een permanente geluidsoverlast voor mens en dier. Zelfs in ons grootste natuurgebied is stilte ver te zoeken en mede door uitlaatgassen wordt de kwaliteit van heidevelden, bossen en vennen steeds verder ontregeld. Ook voor de fietsers en wandelaars zijn de wegen vaak gevaarlijke en hinderlijke barrières.
In de perspectievennota van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (1999) wordt benadrukt dat de groeiende mobiliteit zeer nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van de leefomgeving van de mens en de natuur en dat die kwaliteit juist zorgvuldig moet worden bewaakt. Voor kwaliteitsherstel in het landelijk gebied bepleit de perspectievennota ontsnipperende maatregelen, bijvoorbeeld door het selectief inpassen van de hoofdinfrastructuur en bundeling van infrastructuurverbindingen in plaats van nieuwe infrastructuur in het landschap aan te leggen.
In het Provinciale Verkeers- en Vervoersplan staan bereikbaarheid, beperking van de groei van het autoverkeer, verkeersveiligheid, leefbaarheid en milieu centraal. In het College Akkoord wordt ten aanzien van de Veluwe gemeld dat gestreefd wordt naar het verkeersluw maken van binnenwegen. Dit beleid wordt stapsgewijs uitgewerkt in overleg tussen wegbeheerders van rijk, provincie en gemeenten (Veluwe 2010).

Het hazepad

Rijkswaterstaat had voor de Tweede Wereldoorlog reeds een belangrijke taak op het gebied van wegenaanleg voor het doorgaande verkeer. In de vóóroorlogse wegenplannen werd er bijna geen rekening gehouden met vierbaans autowegen. Het rijkswegenplan van 1938 ging in opzet een nieuwe lijn volgen. Zo was er sprake van Rijksweg 12, die (vierbaans) vanaf Den Haag via Utrecht in de richting van Veenendaal-De Klomp zou gaan lopen. Het gedeelte van Voorburg tot Oudenrijn was in 1940 klaar maar zowel uit overwegingen van natuurbehoud als van defensie waren restricties verbonden aan de verdere aanleg van deze wegen in Gelderland (fig.268). Uit militair oogpunt werd bijvoorbeeld de overbrugging van de IJssel of het Pannerdens Kanaal ongewenst geacht. Defensie had voorts belangstelling voor werkzaamheden aan wegen die direct in verbinding stonden met het Duitse wegennet. Zo moesten onder andere in Rijksweg 51 (Arnhem-Zevenaar) versperringen tegen ‘vechtwagens’ worden aangebracht.

Uiteraard werd er met de toenmalige Duitse overheid overleg gevoerd over de aansluiting van nieuwe autowegen aan bestaande wegennetten. Bij een overleg in Berlijn op 2 februari 1939 tussen dr. ir. L.R. Wentholt, hoofd van de Centrale Dienst voor de Bruggen en Wegen en Dipl. Ing. F. Todt, Inspecteur-generaal voor het Duitse wegennet, was men van Duitse zijde zeer geporteerd voor de verbinding van Emmerik langs Arnhem met de in aanleg zijnde Rijksweg 12 bij Utrecht maar de Nederlanders hielden de boot af. Wentholt had strikte instructies en de bij het beraad in Berlijn gemaakte afspraak hield dan ook in dat beide landen hun wegennetten niet dichter zouden laten naderen dan tot Nijmegen respectievelijk Emmerik. De eindpunten zouden worden verbonden door een ‘Reichstrasse 1ster Klasse’. Impliciet blijkt uit het overleg dat van Nederlandse kant de verbinding met Duitsland via Nijmegen was gedacht en niet via Arnhem.

Fig. 268 Aanlegplannen Rijksweg 12. Bron: Janse, (1995), Blik omhoog 1940-1945: bomlijntje en hazepad. Deel 2 pp. 132 –153.

Na het begin van de oorlog in 1940 bleek al snel dat de Duitsers hun oorspronkelijke plannen niet hadden vergeten. Wentholt kreeg bericht dat Todt de verbinding Emmerik-Arnhem-Utrecht gerealiseerd wilde zien en zij zetten vaart achter deze verbinding. Wentholt maakte met machtiging van de toenmalige secretaris-generaal van het departement van Waterstaat, een nota met drie variaties. De Veluwe-route werd daarbij afgewezen. Todt bleef op zijn standpunt staan: Rijksweg 12 moest langs Arnhem komen te liggen (Ranft, 1996).
Een half jaartje nog probeerde de bezetter die toen vriendelijke samenwerking met de Nederlanders nastreefde, het met zachte aandrang, doch eind oktober 1940 bevalen de Duitse autoriteiten tot de aanleg. De achtergrond van het belang dat de Duitsers bij de weg hadden en de stille wens van Nederlanders dat die haastige spoed in omgekeerde richting zou uitpakken, vonden hun weerslag in de naam die de weg in de volksmond al spoedig kreeg: het Hazepad.
De uitvoeringsplannen werden met grote voortvarendheid uitgewerkt en de oplevering kwam op eind 1942 en dat was de Duitsers nog niet snel genoeg. Materiaalschaarste, vooral aan cement dat de bezetter ook elders in grote hoeveelheden nodig had, stond de voortgang echter danig in de weg. En toen Todt in 1942 omkwam bij een vliegtuigongeluk en zijn opvolger Albert Speer wel inzag dat de weg minder ‘Kriegswichtig’ was geworden, verloor het project zijn urgentie. De bouwstop van 1 juli 1942, die voornamelijk ten gunste van de bouw van de Atlantikwall werd afgekondigd, maakte praktisch een einde aan de aanleg. De bezetter begon in te zien dat van varen naar Engeland (‘und wir fahren’) weinig meer zou komen en dat er eerder gevreesd moest worden dat de Britten deze kant op zouden komen.
De aarden baan was toen al voor een groot gedeelte in aanleg en daaraan werd tot september 1944 met aflopende intensiteit gewerkt. Ook al was er dan geen materiaal, grondwerk kon men altijd wel doen en wie langs het Hazepad aan de schop stond, werkte niet in Duitsland.
Rijksweg 12 is na de oorlog afgebouwd. Omstreeks de zomer van 1957 is het Hazepad dubbelbanig in gebruik gekomen tot aan de Apeldoornseweg en drie jaar daarna was men tot aan de Duitse grens (Janse, 1995).

Fig. 269 Traject van het Hazepad in 1930. Bron: Topografische kaart 1932 (met toestemming Provincie Gelderland).

Fig. 270 Het Hazenpad in 2003. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming Provincie Gelderland).

Het hazenpad nu
Met de verbreding van de weg naar Apeldoorn, de A50, moest de aansluiting op de A12 aangepast worden. Dit heeft men gedaan door een rotonde en enkele krappe bochten. Voor het langzame verkeer en recreanten is er geen doorkomen aan en van natuurbeleving kan hier dan ook geen sprake zijn (fig.270).
Voor de mensen uit de Randstad is Gelderland een aantrekkelijk gebied om te wonen en er is dan ook een migratie in de richting van deze provincie. In de omgeving van Arnhem was dat te merken aan de opkomst van Vinex wijken en hierdoor de toename van het verkeer.
In de 5e nota heeft de A12 een corridorfunctie toegewezen gekregen vanaf de Randstad in de richting Duitsland en dit trekt enorm veel verkeer en daardoor milieuhinder aan. Door deze corridorfunctie verschijnen er steeds meer industrie- en overslagterreinen langs deze weg die op hun beurt ook meer verkeer aantrekken (fig.271).

Fig. 271 De corridorfunctie en de knooppunten langs de A12 zijn goed te zien op deze afbeelding. Bron: Veluwe 2010 een kwaliteitsimpuls. Provincie Gelderland.

Op veel plekken ziet men dan ook langs de A12 geluidsschermen verschijnen.
Stilte behoort een onderdeel te zijn van de Veluwe maar zij wordt verstoord door het verkeer. Maatregelen om lawaaioverlast te verminderen zijn hard nodig. Door het gebruik van natuurlijke geluidswallen (geluidswallen begroeid met vegetatie) zouden de wegen beter ingepast kunnen worden in het landschap. Hierbij kan de wal tevens gebruikt worden als raster voor het wild. Maar hoewel de geluidsschermen voor de omwonenden vaak een geschikte oplossing zijn, voor de natuurgebieden zoals de Hoge Veluwe of de Veluwezoom hebben ze niet veel waarde. Zelfs midden op de Hoge Veluwe is, afhankelijk van de windrichting, het monotone gebrom van het verkeer op de A12 en A50 te horen (fig.272).
Oplossingen om de lawaaioverlast te verminderen kunnen in drie categorieën worden ondergebracht: 1e bestrijding van lawaai aan de bron, 2e maatregelen in het gebied tussen bron en ontvanger 3e maatregelen bij de ontvanger.
Bij het eerste punt kunnen maatregelen genomen worden zoals het asfalt vervangen door het zeer open asfaltbeton (ZOAB) of het opstellen van een verkeerscirculatieplan waarbij vooral aandacht gegeven dient te worden aan het motorgeluid van vrachtwagens dat bepalend is voor het totale geluidsniveau.
Wanneer bronmaatregelen niet voldoende effect hebben kan er worden overgegaan naar het tweede punt door bijvoorbeeld de afstand tussen bron en ontvanger te vergroten of

Fig. 272 Cumulatieve geluidsbelasting Centraal Veluws Natuurgebied. Hierin is duidelijk te zien dat in het onderzoeksgebied de A12 en de A50 hoog scoren voor wat betreft de lawaaioverlast. Bron: Goossen, Alterra-rapport 798. 2003.

vegetatiedemping door beplanting toe te passen. Ook geluidswallen zijn een goede optie. De derde maatregel, het geluid afschermen bij de ontvanger, is hier niet van toepassing omdat de akoestische eigenschappen van de plaatsen van ontvangst overal verschillend zijn en alleen een lokaal effect kennen (Goossen, 2003).

Een andere storende factor op de Veluwe is de hoeveelheid strooilicht die uitwaaiert vanaf de bebouwde gebieden en wegen. Per jaar is er een toename van het kunstmatige licht van 6 tot 9 procent waardoor er in grote gedeelten van Nederland van totale duisternis geen sprake meer kan zijn en dit heeft een zeer nadelige invloed op de natuur. Terwijl geluidshinder meestal in een relatief klein gebied plaatsvindt van hooguit enkele kilometers, is de opheldering van de hemel boven een kassengebied of een stad wel tot dertig kilometer afstand waar te nemen. Zo verlichten de steden Zwolle, Arnhem, Ede en Apeldoorn de hemel boven het grootste natuurgebied van Nederland, de Veluwe (sotto, 2004).
In onze samenleving speelt verlichting een belangrijke rol gezien de 24-uurs economie waarbij werken, leven en recreëren ook in de nachtelijke periode plaatsvindt. Verlichting wordt in ons economische systeem als zeer belangrijk gezien bij het zich verplaatsen en bij de beveiliging van bedrijven. Wat vaak over het hoofd wordt gezien is de hoeveelheid geld dat jaarlijks de duisternis wordt ingestraald. In Nederland gaan jaarlijks miljoenen euro’s verloren in de duisternis (Platform Lichthinder, 2004).
In het ecosysteem hoort duisternis, net als stilte, een onvervuilde bodem en schoon grondwater, tot de meest elementaire natuurkwaliteiten.
Een overdaad aan licht verstoort het bioritme van allerlei organismen en kan een heel ecosysteem ontwrichten. Dit heeft allerlei indirecte gevolgen. Veranderingen in de verhouding tussen licht en donker is vaak het natuurlijke signaal voor veranderingen in gedrag, zoals trek- en broedgedrag en voedselzoeken. Verstoring daarvan leidt tot aantasting van de conditie en alertheid.
In haar rapport “Hinder van Nachtelijk Kunstlicht voor Mens en Natuur” uit 2000 doet de Gezondheidsraad, die de overheid adviseert over gezondheidsonderwerpen, de volgende uitspraak: “Duisternis behoort, als schaduw van de dag, tot de ‘oerkwaliteit’ van de leefomgeving en behoeft daardoor wettelijke bescherming. Door ‘lichthinder’ expliciet op te nemen in het milieubeleid binnen het milieuthema Verstoring, zou de doorwerking naar andere overheidsinstanties gestimuleerd kunnen worden.”

Verder zijn er volgens de gezondheidsraad voldoende aanwijzingen om het huidige ‘nee, tenzij’-beleid van Rijkswaterstaat inzake wegverlichting in natuurgebieden te ondersteunen.
De noodzaak van verlichting ten behoeve van de verkeersveiligheid moet steeds goed worden afgewogen tegen mogelijk negatieve gevolgen voor landschap en fauna. Het overheidsbeleid ten aanzien van openbare verlichting zou onderdeel moeten worden van een integrale, landelijke aanpak ter bescherming en verbetering van de kwaliteit van natuur en landschap in het landelijke gebied, vooral voor die gebieden waarvoor een restrictief beleid geldt ten aanzien van bebouwing, infrastructurele werken en dergelijke. Te denken valt aan instelling van donkertegebieden analoog aan stiltegebieden. Door ‘lichthinder’ expliciet op te nemen in het milieubeleid binnen het milieuthema Verstoring, zou de doorwerking naar andere overheidsinstanties gestimuleerd kunnen worden (Gezondheidsraad, 2000).
Met het invoeren van deze door de gezondheidsraad voorgestelde maatregelen zou de natuurbeleving en levenskwaliteit van mens en dier op een veel hoger peil kunnen worden gebracht.

Militaire objecten Vliegveld Deelen

Fig. 253 Kaart met objecten hieronder beschreven. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming van Provincie Gelderland).

Bunkers (1, 2, 3, 4)
‘Het’ Duitse bunkerontwerp bestaat niet. Landmacht, marine en luchtmacht hadden ieder hun eigen ontwerpen. De landmacht deed er alles aan om zijn bunkers zo min mogelijk in het terrein te laten opvallen terwijl de marine zijn macht wilde laten zien en zijn bunkers juist goed zichtbaar en op markante plekken liet bouwen. De bouw van bunkers was een industrieel proces, een commandant bestelde in Berlijn een nummer en kreeg dan zijn bunker (fig.254, 255, 256).
Rondom het vliegveld zijn bunkers gebouwd die dienst deden als opslagruimte voor munitie, beveiliging van het personeel of als werkruimte. Tegenwoordig worden de bunkers vaak gebruikt als ruimte waar vleermuizen ongestoord kunnen leven.

Fig. 254 Links de bunker 200 meter ten westen van Diogenes (1) aan de Koningsweg en rechts de vleermuisbunker (2) beiden op het terrein van de Hoge Veluwe. De bunkers zijn allemaal standaard ontwerpen die door het hele land te vinden zijn.

Fig. 255 Links van het noordelijkste puntje van de startbaan ligt, dicht begroeid en verscholen in het bos, de bovenste bunker (3) die ook gebruikt wordt als beschermplaats voor vleermuizen. De bunker onder (4) staat op de Kop van Deelen en werd gebruikt als telefooncentrale.

 

Fig. 256 Links, van dit soort bunkertjes zijn er in de buurt van het bommenlijntje nog wel enkele te vinden. De gebouwtjes zijn ongeveer twee bij twee meter met dwars er doorheen een muur die uit het midden staat zodat de voor en achterkant een verschillende diepte hebben. De precieze functie is niet bekend (5). Rechts is de afbeelding van een privé bunkertje dat bestaat uit prefab aan elkaar gemaakte betonnen segmenten. Het heeft de vorm van een omgekeerde V en staat op camping Petersburg. De wanden zijn tien centimeter dik met aan de voorkant een kijksleuf (net te zien) en aan de achterkant een stalen deur (zie Petersburg) (6).

Fig. 256 a en b Plaats (12) op de plattegrond is een Zisterne, een bunkerachtig geheel dat gebruikt werd als waterreservoir voor bluswater. Hij heeft een grootte van 8 bij 3 meter en ligt verscholen onder de grond.

Inschietheuvel (7)

Om de machinegeweren van de vliegtuigen te testen werd er in het noorden van het vliegveld een inschietheuvel opgericht. De heuvel bestond uit een aarden wal die nu nog zo’n zeven meter hoog is, met daarvoor een ongeveer honderd meter lange baan die aan beide zijden voorzien was van een aarden wal (fig.257). Het geheel lag in noordelijke richting zodat de kogels bij eventuele afwijkingen in de richting van het Deelensche veld werden geschoten waar zij niet veel schade konden aanrichten (fig.258). Komende vanaf het vliegveld werden de vliegtuigen op een platform geparkeerd met de neus naar de heuvel waarna er ingeschoten kon worden.

Fig. 257 Boven is de inschietheuvel te zien vanuit westelijke richting. Hij ligt in noord-zuid richting en te zien zijn ook de twee aarden wallen. De vliegtuigen schoten van links naar rechts tegen de heuvel. De afbeelding hieronder is vanaf de heuvel genomen in de richting van het platform waar het vliegtuig stond (bij de bosjes). De twee aarden wallen zijn daar als lichte verhogingen te zien.

Fig. 258 De inschietheuvel vanaf de achterzijde gezien. De foto is vanuit noordelijke richting genomen vanaf het kaarsrechte dijkje (zie fig.111)welke loopt van Hoenderloo naar Deelen en dat jarenlang als wildwal fungeerde om te verhinderen dat de schapen van Deelen op de hei van Otterlo liepen en andersom.

FLAK stelling Hooilaan (8)

Ten noorden van de Hooilaan heeft een FLAK stelling gestaan (fig.259). FLAK is de afkorting voor Flugabwerhrkanone en in deze stelling stonden kanonnen met een groot kaliber opgesteld. Het kaliber was hoogstwaarschijnlijk van 7.5 tot 10.5 centimeter.
Deze stelling is door de geallieerden gebombardeerd maar er kon niet veel schade aan de stelling worden toegebracht.

Fig. 259 De FLAK stelling ten noorden van de Hooilaan. De punten rondom de stelling zijn bominslagen. De rode cirkel geeft de plaats aan waar de foto van de afgebroken bunker is genomen. Bron: archief Nederlandse Heidemaatschappij. Kaart van het vliegveld Deelen, 1945. nr. 45001.

Het gebied ligt op het terrein van het nationale zweefvliegcentrum en van de stelling zelf is niets meer terug te vinden behalve hier en daar wat overgebleven resten van steen en beton. Wel zijn er nog steeds bomkraters te vinden die een waar eldorado zijn geworden voor het aanwezige wild (fig.260).

Fig. 260 Boven zijn de resten van de FLAK stelling langs de Hooilaan te zien (8). De resten liggen zo’n honderd meter ten westen van de stelling (zie fig.259). Het zweefvliegcentrum heeft er geen interesse voor. Onder, één van de vele bommentrechters die er te vinden zijn.

FLAK stelling (9)
Ten zuiden van de Hooilaan staan nog enkele bunkers die dienst hebben gedaan als munitiebunkers bij een FLAK stelling. De stelling bestond uit vier betonnen bakken waarin twee centimeter kanonnen waren geplaatst. Deze lichte stelling diende om het vliegveld te verdedigen tegen geallieerde vliegtuigen. Buiten de kanonnen en de munitie is de stelling compleet en in behoorlijke toestand.

Fig. 261 Enkele bunkertjes van de stelling.

 

Bij deze bunkers is goed de toegepaste bouwwijze te zien (fig.261). Het complex ligt thans op het terrein van defensie dat tegenwoordig in gebruik is als oefenbaan voor het werpen met handgranaten.

Motor proefstand (10)

Langs de rolbaan zo’n 200 meter ten westen van Vrijland is na de oorlog door de Canadezen een proefstand voor motoren gebouwd. De bedoeling was om hier motoren te testen maar dit is er niet van gekomen. Eenmaal is er een motor van een Spitfire getest en daar is het bij gebleven.
Het gebouwtje is van stenen opgebouwd en heeft een rond dak. Aan de achterzijde is in de vorm van een halve cirkel, een muur opgericht waarin openingen zijn gemetseld om de luchtstromen weg te laten vloeien (fig.262).

Fig. 262 De motortestruimte(10). Op de rechterafbeelding is te zien waar aan de achterzijde van het gebouwtje de motor opgehangen werd. Een stukje beschermingsmuur is nog te zien.

Eendenvijver/Zwembad (11)

Halverwege de legeringskampen Koningsweg Noord en Vrijland, tegenover het landhuis Zonheuvel (nu camping Petersburg) ligt een betonnen constructie die bestaat uit een dertig meter lange en zes meter brede bak in een V-vorm met in het midden een diepte van zo’n twee meter en aan de zijkanten ongeveer vijfenzeventig centimeter (fig.263).
Aangezien bij de Duitsers het gezondheidsideaal hoog in het vaandel stond konden de militairen dan ook, als de oorlogshandelingen het toelieten, naar hartelust hun sport beoefenen. Voor dit doel waren er bij de legeringsgebouwen sportvelden aangelegd en men had dan ook het idee dat de betonnen constructie een voor de Duitsers gebouwd zwembad zou zijn.
Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de betonnen bak er voor de oorlog al lag en diende als

Fig. 263 Het object in de buurt van Petersburg (11).

vijver voor de eenden die de bewoners van de rentmeesterswoning hielden. De bak was toen net zo hoog als de grond ernaast en de Duitsers hebben er de verhoogde rand opgemaakt zodat het geheel een stuk dieper werd (zie Petersburg). De op bezoek komende kinderen gebruikten de vijver om te kunnen pootje baden. Tegenwoordig wordt de vijver bad als afvalbak voor tuinafval gebruikt. De bomen die rondom staan drukken aan alle kanten met hun wortels de bak omhoog en deze verkeerd dan ook in slechte staat.

Garages Koningsweg

Fig. 264 Het kamp aan de Koningsweg bestaat uit vijf garages. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming Provincie Gelderland).

Pal naast de slenk bouwden de Duitsers vijf opslagplaatsen voor bouwmaterialen (fig.264). Na de oorlog nam defensie de gebouwen over waarna ze werden getransformeerd tot garages en onderhoudswerkplaatsen. Een paar honderd meter in westelijke richting stonden ook nog een paar gebouwen van hetzelfde soort maar deze zijn inmiddels door defensie gesloopt.
Na een tijdje te hebben leeggestaan namen krakers de gebouwen in bezit en veranderden deze in kunstobjecten (fig.265, 266). Defensie zette een houten schutting in het midden van het terrein en nam de westelijke twee gebouwen weer terug in hun bezit. Daar staan ze nu nog steeds te vergaan, onderhoud wordt er niet aan gepleegd (fig.265). Op het ogenblik doet defensie al wat mogelijk is om de resterende drie gebouwen ook weer in hun bezit te krijgen.

Fig. 265 De opslaggebouwen werden door defensie als garages gebruikt en later door krakers in bezit genomen.

Fig. 266 De krakers hebben het aanzien van de gebouwen totaal veranderd.

Fig. 267 Het door defensie afgescheiden westelijke deel van het complex staat leeg.

De Vier Heemskinderen

Voor de oorlog behoorde een groot gedeelte van de grond van vliegbasis Deelen toe aan park De Hoge Veluwe. Tijdens de Duitse bezetting werd deze grond onteigend voor de aanleg van de vliegbasis.

Na de oorlog zijn de gronden buiten de basis voor een deel teruggegaan naar de gemeente Arnhem, de basis zelf ging over naar de Staat en het westelijke deel ging terug naar De Hoge Veluwe. Veel gebouwen werden afgebroken en het puin gebruikt bij de wederopbouw van het verwoeste Arnhem. Ook in Otterlo en Ede maakte men gebruik van grote hoeveelheden steen. De zware betonblokken van de rolbanen zijn zelfs gebruikt bij de bouw van de Zuiderzeewerken.

Niet alle gebouwen op het vliegveld werden afgebroken. Er bleef nog een aantal verwarmbare vliegtuighangars de zogenaamde ‘Wärmehalle’, die er aan de buitenkant uitzagen als boerderijen, plus een locomotievenloods, over.

De Heidemij had samen met de Stichting Beheer Landbouwgronden het plan opgevat om rondom het vliegveldterrein vier boerderijen neer te zetten. De bezetter had in oorlogstijd de grond al gecultiveerd en zo zou voorzien kunnen worden in de behoefte aan landbouw en veeteelt (fig.246). De overgebleven vliegtuighangars en locomotievenloods zouden dan bij de bouw van deze boerderijen gebruikt kunnen worden.

De Amsterdamse architect Heijdelberger maakte de plannen voor de verbouwing van deze vliegtuighangars en het idee om de naam ‘De Vier Heemskinderen’ aan deze boerderijen te verbinden kwam van mevrouw Verkoren, wier echtgenoot directeur van de Stichting Landbouwgronden was.

De naam De Vier Heemskinderen komt uit het verhaal van Van Montelbaen en gaat over de vier kinderen van graaf Haymijn van Ardennen; Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout die de strijd hadden aangebonden tegen Karel de Grote en dit moesten bekopen met het verlies van hun paard, het ros Beyaert. Het oorlogsgeweld zal de achterliggende gedachte zijn geweest bij deze naamskeuze.

Fig. 246 Ligging van de Vier Heemskinderen. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming Provincie Gelderland).

De boerderijen werden verbouwd in de periode 1947 – 1950 en zijn achtereenvolgens genoemd: Reinouthoeve op de kaart onder nummer (1) te vinden, Ritsaerthoeve (2), Adelaerthoeve (3) en de Writsaerthoeve (4).
De Reinouthoeve (fig.247 (1) is het meest westelijk gelegen van de vier Heemskinderen en

Fig. 247 De drie Wärmehallen van de Reinouthoeve (1). Het woonhuis is tegen de linkerhal aangebouwd. De rolbaan naar de startbanen bestaat uit klinkers en is nog intact.

bestaat uit drie Wärmehalle. Deze drie hallen werden omgebouwd tot een woonhuis met twee schuren. Tussen de schuren is een plein gesitueerd en er ligt ook een betonnen vloer met afwateringsgoten waar vliegtuigen gewassen konden worden. Het geheel ligt net buiten de omheining van het park De Hoge Veluwe en ook buiten het vliegveld Deelen. De weg naar de Reinouthoeve loopt via de oude rolbanen van het vliegveld.

Fig. 248 Ritsaerthoeve (2) met locomotiefloods

De Ritsaerthoeve (fig.248, 249, 250) (2) bestaat uit verschillende gebouwen. Aan de locomotievenloods langs het bommenlijntje werd een woonhuis gebouwd en tegen de loods zelf, die uit een rechthoekige ruimte bestaat en als werkplaats diende, werden schuren geplaatst. In de loods is een smeerkuil aanwezig. Om een eenheid te maken van het gebouw met zoveel verschillende steensoorten werden de muren wit geschilderd. Alle vier de Heemskinderen kregen deze witte kleur.

Fig. 249 De hangar van de Ritsaerthoeve (2) die enige honderden meters van de boerderij verwijderd ligt. De voorwand is na de oorlog geplaatst.

Fig. 250 Detail van een geschilderd raam op de Wärmehalle die behoort bij de Ritsaerthoeve. Aan de binnenzijde zijn nog de originele teksten te lezen.

Bij de Ritsaerthoeve behoort ook een hangar die enige honderden meters in zuidoostelijke richting ligt. Deze hangar ligt midden in een akker die tijdens de oorlog een opstelplatform voor jachtvliegtuigen was (op de kaart van figuur 246 ziet men tussen de boerderij (2) en hangar (2) meerdere kleine witte plekken welke ook dienst deden als verdekte opstelplatformen). Tegenwoordig wordt de hangar gebruikt als opslagruimte voor aardappelen en landbouwmachines.
De Adelaerthoeve (fig.251) (3) bezit de grootste Wärmehalle van het vliegveld. De boerderij is van het kop-hals-romp model dat alleen in het noorden van het land voorkomt. Het woonhuis is het omgebouwde voormalige ketelhuis dat gebruikt werd om de hal te verwarmen. Het plein voor de boerderij is de oprit naar de eigenlijke rolbaan en is gemaakt van klinkers.

Fig. 251 De Adelaerthoeve (3) met de grootste Wärmehalle van het vliegveld Deelen.

De Writsaerthoeve (fig.252) (4) is de enige nieuwgebouwde boerderij en hiervoor zijn de stenen gebruikt die afkomstig zijn van gesloopte gebouwen op het vliegveld. Voor de schuur heeft de architect de Wärmehallen van de andere drie Heemskinderen als voorbeeld aangehouden. Hoewel op deze plek geen hangar stond werd de grond in de oorlogstijd wel bewerkt door de Duitsers en daarom vond men het vierde Heemskind hier wel op zijn plaats.
De boerderij ligt bij de kop van Deelen tegen de Hooilaan. Bij het planten van beukenbomen langs de Hooilaan vond men in de 18e eeuw enige urnen in een grafheuvel.

Fig. 252 De Writsaerthoeve (4) bij de Kop van Deelen. Vlak achter deze boerderij ligt de Hooilaan waar men in een grafheuvel urnen heeft gevonden (zie grafheuvels).

Vrijland en het veteranenbos

Fig. 229 Vrijland omstreeks 1900. Bron: Topografische kaart 1912 (met toestemming Provincie Gelderland).

Vrijland behoort tot de oudere ontginningslandgoederen van Schaarsbergen. In 1850 werd het terrein door doktor Scheltema van de gemeente gekocht. De aanwezige heide werd in cultuur gebracht en men zag dit als op de woeste gronden gewonnen land ‘het vrije land’. In 1871 kocht houthandelaar Coers het landgoed, bouwde er een houten villa en legde het kenmerkende lanenstelsel aan. Eén van de lanen is een kilometer lang en steekt de Koningsweg over (fig.229). Tussen de laanbeplanting plantte Coers productiebos aan.
In 1896 brandde de houten villa af die Coers gebouwd had en een jaar daarna kocht baron van Heeckeren het gebied en bouwde een landhuis op de plek waar de houten villa gestaan had.
In 1919 werd het landgoed gekocht door de ‘RK Congregatie St. Joseph’s Foreign Missionary Society, Trustees Cardinal Vaughan and others’ gevestigd te ‘Mill Hill’ bij Londen.
Deze missionarissen ontwikkelden er een opleidingscentrum en een tehuis voor bejaarde fathers. Hierdoor werd het landhuis al snel te klein. In 1924 werd er begonnen met de bouw van een Broederhuis dat gebruikt zou gaan worden voor opleidingen en in 1934 bouwde men een grotere vleugel aan het landhuis dat nu bekend staat ‘als Oud Vrijland’.

Fig. 230 Vrijland omstreeks 1930. Bron: Topografische kaart 1932 (met toestemming Provincie Gelderland).

De missionarissen boerden op de schrale bouw- en weilanden tussen de houtlanen in (fig.230). Op Vrijland kon men zich in verschillende vakken bekwamen. Zo was er een smidse, bakkerij, timmerwerkplaats, schoenmakerij, kleermakerij, washuis en zelfs een fokkerij voor zilvervossen. De hele opleiding duurde 5,5 jaar.
Ten noorden van het landgoed Vrijland lag het vliegveldje Kemperheide dat wel enige strategische waarde bezat. Er werden daarom in 1939 twintig Nederlandse militairen op Vrijland gestationeerd.
Op 11 mei 1940 werd Vrijland bezet door de Duitsers en de Nederlandse eenheid werd zonder bloedvergieten krijgsgevangen gemaakt.
De Duitse bezetter breidde het vliegveldje Kemperheide uit tot ‘Fliegerhorst Deelen’ waarbij Vrijland werd omgevormd tot een technisch complex ‘Werft’ genaamd. De onderkomens van de congregatie werden in gebruik genomen door de ‘Fliegerhorstkommandantur’.
Vrijland werd een militair object van groot belang door de bouw van het technische complex. Het complex bestond uit barakken, hangars, werkplaatsen en een kompaskalibratieschijf voor het ijken van de vliegtuigkompassen (fig.231).
De kapel werd omgebouwd tot bioscoopzaal, op het terrein werd een gevangenis ingericht en op de hoek met de Hoenderloseweg verscheen de hoofdingang van het vliegveld.
Begin 1941 verlieten de missionarissen op last van de bezetter Vrijland. Zij vonden een nieuwe plek ten noorden van Oosterbeek en stichtten daar het ‘Nieuw Vrijland’.
De meeste onderhoudsgebouwen op Vrijland werden ook in boerderijstijl opgetrokken maar soms beïnvloedde de functie de architectuur.

Fig. 231 Vrijland in 1945. De donkere lijnen zijn de rolbanen. Bron: archief Nederlandse Heidemaatschappij. Kaart van het vliegveld Deelen, 1945, nr. 45001

Op 8 mei 1945 keerden de missionarissen weer terug naar Vrijland. Van wat zij hadden opgebouwd bleek alles te zijn opgeblazen.
Na er 11 jaar gewoond te hebben vertrokken de missionarissen van Vrijland en gingen voorgoed naar Oosterbeek. Vrijland kwam in handen van het Ministerie van Defensie.
In 1957 betrok de staf van de 1e Divisie ‘7 December’ het landgoed. Het fathershuis werd ‘Oud Vrijland’ en de voormalige gevangenis ‘Nieuw Vrijland’ genoemd. Later zijn er de staven van 11e Pantserinfanteriebrigade en 101e Veldartillerie bijgekomen.
Tegenwoordig heeft de staf van de luchtmobiele brigade er zijn onderkomen (fig.232) (Coers, 1990).

Fig. 232 Vrijland omstreeks 2003. Het geel omlijnde is het veteranenbos met daarin de kompas kalibratieschijf. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming Provincie Gelderland).

Vrijland nu

Fig. 233 Vrijland vanuit de lucht gezien in 2003. Bron: Topografische dienst 2003 (met toestemming Provincie Gelderland).

De Christus Koning kapel aan de westzijde is eigendom van het ministerie van defensie en is de enige kerk die het ministerie in bezit heeft. De zorg voor de kapel is in handen van de divisie aalmoezenier (fig.234).

Fig. 234 Oud Vrijland. Vroeger een missionarishuis en tegenwoordig het hoofdkwartier van de Luchtmobiele Brigade. Links staat de kapel.

De Werft te Deelen is het enige complete onderhoudscomplex van een vliegbasis die in Nederland bewaard is gebleven. De in boerderijstijl opgetrokken gebouwen op Vrijland dienden allemaal als onderhoudsgebouwen voor de vliegtuigen. Bijna alle gebouwen zijn in goede staat omdat ze na de oorlog werden overgenomen door defensie en tot op heden in gebruik bleven.
De objecten zijn door de Duitsers gebouwd op de velden die in gebruik waren bij de missionarissen. Zij hadden akkers, boomgaarden en groentetuinen aangelegd achter het missionarishuis en doordat de Duitsers hierop hun onderhoudscomplex gingen bouwen en dezelfde structuur aanhielden kreeg men de karakteristieke rechthoekige vorm (fig.233).
Dit is anders als bij de complexen Groot en Klein Heidekamp waar de gebouwen met een dorpsstructuur en kronkelige wegen werden aangelegd. Hieronder volgen enkele voorbeelden.

Het grootste bouwwerk uit de bezettingstijd is de Junkershalle welke is ontwikkeld door de firma met dezelfde naam (fig.235). De fabriek maakte vliegtuigen maar leverde ook hangars.

Fig. 235 De Junkershalle. De hal zelf is nog in behoorlijke staat maar de aanbouwgedeelten staan op instorten.

In Nederland staat alleen op het vliegveld Gilze-Rijen een soortgelijke hal maar deze is sterker aangepast aan latere behoeften. Wat originaliteit betreft is de Junkershalle in Deelen veel zeldzamer en is het raadzaam dat er het nodige onderhoud aan wordt gepleegd (fig.236, 237).

Fig. 236 De Junkershalle van binnen gezien. Bij deze hal werden de losse onderdelen aan elkaar geklonken, een patent van Junkers.

Fig. 237 De aanleungebouwen van de Junkershalle zijn in slechte staat.

Vrijland werd door de Duitsers als technisch centrum gebruikt en alle gebouwen hadden iets van doen met technische zaken zoals motoren (fig.239), beplating, onderhoud (fig.240, 241), schilderwerk en ook veiligheid zoals bijvoorbeeld een gebouw voor onderhoud aan parachutes (fig.238).

Fig. 238 Dit gebouw werd gebruikt om parachutes te drogen, vouwen en repareren. Het gebouw is voor dit doel hoger gemaakt. Rechts op het dak een ventilatietorentje.

Fig. 239 Dit gebouwtje staat vermoedelijk op het meest vervuilde stukje grond van Deelen. Het werd gebruikt om vliegtuigmotoren schoon te spuiten.

Fig. 240 In dit gebouw was de radioafdeling gehuisvest. De dakkapellen zijn er later opgezet.

Fig. 241 Het accugebouw. De overhangende dakrand zorgde ervoor dat er geen regenwater bij het materiaal kon komen bij het inladen.

Bij het repareren en afstellen van de vlieginstrumenten behoorde ook een kompaskalibratieschijf die diende om de kompassen van de vliegtuigen te ijken.
De schijf ligt in het veteranenbos en is overwoekerd met struikgewas (fig.242, 243, 244).

Fig. 242 De grootte van de kompaskalibratieschijf wordt hier aangegeven. De soldaten staan precies in het midden. De ring met de gradenverdeling ligt op de voorgrond.

De schijf bestaat uit een rond betonnen oppervlak waarbuiten een betonnen ring ligt met een 360 graden verdeling. Het vliegtuig werd met de voorwielen op de buitenste betonnen ring gezet die kon draaien (op glazen kogellagers omdat die niet magnetisch zijn). Hierna werd het geheel gedraaid om het kompas te ijken. Het geheel is in goede staat maar moet wel vrij gehouden worden van struikgewas en vooral van bomen. Doet men dit niet dan drukken de wortels binnen de kortste keren de betonnen plaat kapot.

Fig. 243 De buitenring wordt momenteel gebruikt om afval op te zetten zoals rollen prikkeldraad en vlonders.

Fig. 244 De gradenverdeling is aangegeven door middel van metalen plaatjes die zijn ingegoten in het beton van de buitenring.

Fig. 244a Naast het gebouw van de luchtmobiele brigade staan nog de tekens van de Duitse en Canadese militairen in de bomen gekerfd. Rechts het Duitse huneteken, waarna de Canadezen natuurlijk niet achter konden blijven (linker boom).

Het veteranenbos.
Het Ministerie van Defensie en de gemeente Arnhem hebben een ongeveer 70 hectaren groot terrein ten noorden van het Werft complex, wat voorheen gebruikt werd als landbouwterrein, voor onbepaalde tijd ter beschikking gesteld aan de stichting Veteranen Landgoed Vrijland.
Op het landgoed zal thematisch voor de doelgroep, zijnde het Nederlandse volk, uitgebeeld en verteld worden wat Nederlandse veteranen waar ook ter wereld opgedragen kregen door een democratisch samengestelde regering met steun van een democratisch gekozen parlement.
Het park is er met name op gericht om meer kennis en erkenning te bewerkstelligen voor de veteranen.
Op het terrein zijn zo’n 300.000 boompjes geplant en centraal in het terrein staat een Koningslinde die bereikt kan worden over een laan met een lengte van 1000 meter.
Een groot deel van de bomen die hier geplant worden zijn bedoeld als vervanging van bomen die (illegaal) weggekapt werden bij bouwprojecten of wegenaanleg en zo wordt er ook wel gesproken van ‘strafbos’.
Het is de bedoeling dat de gebouwen van Vrijland door defensie worden afgestoten en dan door de stichting benut kunnen worden als educatief- en herdenkingscentra met een uitgebreide verwijzingsfunctie naar die plaatsen in het land waar nadere informatie te vinden is over hetgeen de veteranen mee hebben gemaakt (Meijer, 2003).
Het landgoed in aanleg noopt Geerlings (oud militair en initiatiefnemer) tot superlatieven. ‘Dit wordt een prachtig park. Een aanwinst voor Arnhem en directe omgeving. Een heerlijke plek om in het weekeinde eens even te gaan wandelen’.
In Nederland zijn ongeveer een kwart miljoen veteranen. Zij krijgen op het landgoed allemaal een boom hoewel dat zuiver toeval is. Aanvankelijk speelde het idee om een herdenkingsbos in te richten maar daar is vanaf gezien. ‘Zo’n bos is te anoniem’, weet Geerlings. De bedoeling van het landgoed is juist dat veteranen uit de anonimiteit kunnen treden. Te lang is volgens Geerlings onduidelijk gebleven wat veteranen hebben moeten doorstaan.
Het landgoed is verre van af. Staatsbosbeheer zegt hierover. ‘Het moet nog allemaal anders worden. We willen kunstenaars aan het werk laten gaan met allemaal verschillende thema’s: Tweede Wereldoorlog, Indië en VN operaties.
Over tien jaar (geciteerd in 1998) beginnen de bomen ergens op te lijken. Tevoren is het oude witte klooster met kapel aan de Koningsweg, dat nu in gebruik is bij de Luchtmobiele Brigade, al ingericht als documentatiecentrum annex bezinningsruimte’.

Midden in het veteranenbos ten zuiden van de kalibratieschijf ligt een omheind gedeelte. Dit gedeelte bestaat uit een diep gat waar in de loop der tijd veel afval in is gestort. Volgens overlevering is hier radioactief afval gedumpt maar dit zou inmiddels weer zijn opgeruimd. De omheining staat er nog steeds (fig.245).

Fig. 245 In het veteranenbos ligt een diepe afgraving midden in de heuvels van ‘De Schaarsbergen’. Het zand werd gebruikt om de startbanen te verlengen waarna men in het gat afval dumpte. Het geheel is omheind.

Kamp Koningsweg Noord en de Zeven Provinciën

Fig. 221 Het gebied kamp Koningsweg Noord en de Zeven Provinciën in 1910. Bron: Topografische kaart 1912 (met toestemming Provincie Gelderland).

De ontginningsboerderijen Wildhoeve, Heiderijk en ’t Heuvelink liggen aan de noordzijde van de Koningsweg. Voor de Tweede Wereldoorlog was dit gebied bebouwd met productiebos en lagen er veel houtwallen (fig.221).
De boerderij Wildhoeve werd gebouwd in 1846 toen Cornelia van Orsoij zo’n 25 hectare grond van de gemeente Arnhem had gekocht. Er waren daarna verschillende eigenaren en ook had er zich in de jaren twintig van de vorige eeuw een handelaar in melk, boter en eieren gevestigd (fig.222).

Fig. 222 De boerderij Wildhoeve in oude staat. Bron: W. H. V. Schaarsbergen.

Ook in 1846 liet loodgieter Pitlo uit Arnhem de boerderij het Heiderijk bouwen in dezelfde stijl als de Wildhoeve. De laatste vijftig jaar werd de boerderij niet meer voor dat doel gebruikt maar kreeg het een woonfunctie (fig.223).

Fig. 223 De boerderij Heiderijk had praktisch dezelfde bouwstijl als Wildhoeve en ’t Heuvelink. Bron: W. H. V. Schaarsbergen.

Tegelijk met haar buren Wildhoeve en Heiderijk liet de stadsarchitect Heuvelink in 1846 de ontginningsboerderij ’t Heuvelink bouwen. Deze boerderij had oorspronkelijk dezelfde vorm als haar buren maar in de loop der tijd werd zij telkens aangepast aan de eisen van de nieuwe bewoners. De boerderij heeft als zodanig nooit dienst gedaan maar was van het begin af aan meer als buitenverblijf bedoeld.

Fig. 224 De Duitsers hadden zowel op kamp Koningsweg Noord als op Zeven Provinciën zeven gebouwen neergezet. Bron: archief Nederlandse Heidemaatschappij. Kaart van het vliegveld Deelen. 1945, nr 45001.

In de oorlog bouwden de Duitsers eerst het kamp de Zeven Provinciën (oostelijk van de Wildhoeve) en daarna het kamp Koningsweg Noord (in het noordwesten van de Wildhoeve) om deze boerderijen heen (fig.224).
De naam van de Zeven Provinciën ontstond omdat er op de terreinen oorspronkelijk zeven gebouwen hebben gestaan die als woonruimte fungeerden voor de Blitzmädels (zie Diogenes) en het mannelijke personeel wat in Diogenes werkte.
De gebouwen liggen niet ver van de bunker Diogenes vandaan zodat het personeel te voet de afstand kon afleggen.
Tijdens de oorlogsjaren werden de meeste boerderijen en woningen langs de Koningsweg ontruimd. Een enkele boerderij werd door de Duitsers overgenomen waar ze zelf de productie van voedsel ter hand namen of lieten de boer voor hen werken. Op de Wildhoeve werd na de oorlog het boerenbedrijf weer voortgezet en eind jaren vijftig kocht de familie Rap de oude boerderij waarna deze werd gesloopt. Ervoor in de plaats kwam een modernere die er nu nog staat.
Defensie nam na de oorlog het terrein over en ging de gebouwen gebruiken voor de opleiding van luchtmachtpersoneel. Voor de opleiding werd een radartoren gebouwd en voor de geestelijke verzorging een kerkje neergezet (fig. 224a en 224b). Initiatiefnemer was ds. Hoeksema die het kerkje in 1954 inwijdde (dorpskrant Schaarsbergen 2007).

Fig. 224a Het kerkje had de naam ‘vluchtheuvel’ omdat het op een verhoging bij een splitsing stond.

Fig. 224b het kerkje kan wel een opknapbeurt gebruiken zowel binnen als buiten.

Kamp Koningsweg Noord en de Zeven Provinciën nu.

Fig. 225 Kamp Koningsweg noord (links en boven de Wildhoeve) en de Zeven Provinciën (rechts van de Wildhoeve) in 2003. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming Provincie Gelderland).

Na de oorlog werd kamp Koningsweg Noord en de Zeven Provinciën overgenomen door de luchtmacht die er ook haar personeel legerde. Aan de zeven gebouwen van zowel kamp Koningsweg Noord als de Zeven Provinciën werden in de loop der jaren is er hier een aantal aan toegevoegd (fig.225). De oudere Duitse gebouwen in beide kampen werden aangepast aan de moderne tijd, waarbij bijvoorbeeld de ramen werden vergroot. De gebouwen zijn zeldzaam: in Nederland komen verder geen Duitse legeringsgebouwen voor die in twee lagen zijn uitgevoerd (fig.226).

Fig. 226 De legeringsgebouwen op kamp Koningsweg Noord bestaan uit twee lagen. De ramen zijn dichtgetimmerd.

De gebouwen op de Zeven provinciën zijn minder grootschalig dan die op kamp Koningsweg Noord en zijn gesitueerd rondom een sportveld/exercitie terrein (fig.227).

Fig. 227 De bebouwing op de Zeven Provinciën is kleinschaliger dan op kamp Koningsweg Noord. Achter het gebouw is nog een stukje sportterrein te zien.

De ontginningsboerderij Wildhoeve doet nog steeds dienst als boerderij (fig.228) terwijl het Heiderijk deze functie de laatste vijftig jaar niet meer heeft uitgeoefend. De boerderij ‘t Heuvelink is al sinds het begin als woonhuis in gebruik.

Fig. 228 De modernere uitvoering van de Wildhoeve.

Divisionsdorf

Het terrein waar nu camping ‘De Hooge Veluwe’ ligt was tot de jaren ’30 vrij van bebouwing (fig.211, 212). Na een donatie van 600.000 gulden door een gefortuneerd echtpaar (dat onbekend wenste te blijven en waarvan de zoon psychiatrisch patiënt was) kon de geneesheer-directeur Dr. L.F.C. van Erp Taalman Kip, in het najaar van 1934 in de omgeving van Arnhem verschillende terreinen bekijken die geschikt werden geacht voor de bouw van een sanatorium voor zenuwzieken.

Fig. 211 Omgeving Rijzenburg rond 1900. Bron: Topografische kaart 1912 (met toestemming Provincie Gelderland).

Fig. 212 Omgeving Rijzenburg in 1930. Bron: Topografische kaart 1932 (met toestemming Provincie Gelderland).

Fig. 213 Omgeving Rijzenburg in 2003. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming Provincie Gelderland).

De aard van de ziekte van de patiënten vroeg om een rustig gelegen terrein, niet aan een drukke verkeersweg gelegen maar met het oog op bezoek en opname niettemin gemakkelijk bereikbaar vanuit het stadscentrum.
Aan de Koningsweg werd een prachtig stuk heideterrein aangekocht dat mede door zijn

Fig. 214 Het sanatorium Koningsheide. De schuine oprit was bedoeld om bezoekers een perspectivisch aanzicht te geven van het hoofdgebouw. Ook kwam hierdoor het ingangshek dichter bij de bushalte te liggen. Bron: werkgroep historie Schaarsbergen.

mooie ligging en vergezichten, aan alle eisen voldeed. De oppervlakte bedroeg tien hectare zodat er ruimschoots gelegenheid was tot aanleg van een arbeidstherapieterrein, wandelpaden en een voetbal- en tennisveld. De aanwezigheid van gas-, water- en elektrische aanvoerleidingen in de Koningsweg vormde mede een beslissende factor. In 1936 vond de opening plaats van het sanatorium dat de naam ‘Koningsheide’ kreeg (fig.214). Het had een vriendelijk en huiselijk karakter en zag er niet uit als een gesticht. Het hoofdgebouw was ingericht voor 16 vrouwelijke en 15 mannelijke patiënten die werden verpleegd op een manier die zoveel mogelijk hun eigen milieu benaderde.

Fig. 215 Verkenningsfoto van de Royal Air Force van 19 september 1944. Te zien zijn het proefcommando centrum in de onderste cirkel en Diogenes in de bovenste. Het sanatorium Koningsheide en Divisionsdorf liggen daartussen. Bron: Tiemens.

In de oorlog moest op last van de bezetter het sanatorium worden ontruimd waarna zij het tot het hoofdkwartier van de eerste Jagddivision maakten. Er werden zo’n 25 splintervrije onderkomens voor verbindingstroepen gebouwd inclusief kantine, officiersmess, badhuis en andere voorzieningen. De Duitsers noemden het complex Divisionsdorf en het aantal militairen dat er onderdak kreeg wordt geschat op zo’n 300 man. In het sanatorium vestigden de Duitsers hun administratieve afdelingen waarbij het geheel werd gecamoufleerd door middel van camouflagenetten.
Oorspronkelijk was het de bedoeling geweest om in het gebouw een NaPoLa (Nationalpolitische Lehranstalt), een staatsinternaat, onder te brengen. Deze internaten waren bedoeld voor de politieke vorming van de nieuwe mens door nazificering qua karakter, vechtlust en levenshouding. In april 1942 vorderde de Wehrmacht het gebouw dat toen voor militaire doelen werd ingezet (Bosma, 2006).
De meeste gebouwen bestonden net als op de Kop van Deelen en Groot- en Klein Heidekamp uit bunkers in boerderijstijl gebouwd met dikke muren en stalen luiken. Ten zuiden van het terrein, in de bosrand, verrees een groot bakstenen gebouw waarin werd geëxperimenteerd met een vluchtleidingscentrum ten behoeve van de nachtjacht (fig.215). De resultaten van dat experiment werden gebruikt in Diogenes, de grote bunker aan de overkant van de Koningsweg.
Tijdens de slag om Arnhem werd het sanatorium door Engelse bombardementen weggevaagd. De bommen waren bedoeld voor de commandobunker Diogenes maar deze werd niet beschadigd.

Divisionsdorf nu

Na de oorlog raakten sommige gebouwen in verval en werden gesloopt. Enkele werden gebruikt door ‘De Hemelbergh’, een vorming en vakantiecentrum voor de Katholieke Arbeiders Jeugd (K.A.J.) Zij richtten in een van de onderkomens een kapel in. Later werd het

Fig. 216 Restaurant op camping De Hooge Veluwe. De Duitsers gebruikten het gebouw oorspronkelijk als kantine.

Fig. 217 Resten van het sanatorium kan men op de camping nog steeds terugvinden. Deze caravan staat op een heuveltje puin dat ervan afkomstig is.

Fig. 218 In het voormalige Duitse manschappenverblijf is nu stal Mansour gevestigd. De eigenaar heeft van het gebouw stallen gemaakt en woont er zelf boven.

een conferentieoord en jeugdherberg en kreeg het logeergebouw de naam ‘Trekkerslust’. Dit alles onder leiding van het Aartsbisdom Utrecht. Enkele gebouwen werden particulier eigendom en op één van de fundamenten werden zes woningen gerealiseerd.
Het vervallen sanatorium werd opgeruimd en in de plaats daarvan kwam camping De Hooge Veluwe waar men een onderkomen ging gebruiken als restaurant (fig.216). Op het terrein van de camping liggen de resten van het sanatorium nog onder het zand verspreid. Er bovenop staan nu caravans en vakantiehuisjes (fig.217).
Buiten de camping zijn nog een aantal Duitse legeringsgebouwen te vinden die tegenwoordig in gebruik zijn als gezinswoning (fig.220). Op het terrein van manege ‘stal Mansour’ is het voormalige Duitse manschappenverblijf omgebouwd tot paardenstal waarbij de beheerder de bovenruimte als woning gebruikt (fig.218).

Fig. 219 Duits onderkomen in vervallen staat. Er woonden mensen van de huisoppasdienst (HOD) in het pand en recentelijk is het verkocht. Van het gebouw staan op het ogenblik alleen nog de muren overeind en het zal in stijl herbouwd worden. Er zijn liefhebbers genoeg die in deze omgeving willen wonen.

Doordat er na de oorlog geen onderhoud werd gepleegd kwamen de gebouwen in slechte staat te verkeren. Groepen huizenkrakers gingen de huizen bewonen. Door gebrek aan onderhoud raakten de gebouwen in verval (fig.219).

Fig. 220 Eén van de voormalige Duitse manschapverblijven. In dit gebouw is de bewoner nog bezig om van het geheel een woning te maken. Let op de dikte van de muur bij de voordeur.

Op dit ogenblik is het laatste huis in particuliere handen overgegaan en wordt er veel tijd en geld gestoken in het verbouwen en opknappen van de woningen. Het onderhoud is hierdoor op een veel hoger peil gekomen en de bewoners wonen naar alle tevredenheid midden in de natuur met veel ruimte en groen.
Deze huizen zijn anders geconstrueerd dan de verblijven op bijvoorbeeld Klein Heidekamp, zij hebben namelijk geen betonnen maar houten plafonds.
De woningen op het terrein zijn, buiten enige kleinigheden na zoals bijvoorbeeld een dakkapel, van gelijke constructie.
Van het proefcommandocentrum is niets anders meer te vinden als een verhoging in het terrein begroeid met struiken. Wel ontdekte één van de bewoners kortgeleden achter zijn huis een septic tank die afkomstig bleek van het commandocentrum. Ook liggen er tussen de wortels van omgewaaide bomen nog de stenen waaruit het centrum eens was opgebouwd.

Groot en Klein Heidekamp

Fig. 185 Het gebied van Groot en Klein Heidekamp (rood omlijnd) omstreeks 1930.De slenk loopt vanuit het oosten precies tot in Groot Heidekamp. Bron: Topografische kaart (met toestemming Provincie Gelderland).

Het terrein waar Groot en Klein Heidekamp werden gebouwd was in de jaren dertig van de vorige eeuw het eigendom van baron van Pallandt. Groot Heidekamp kwam te liggen op de golfbaan die hij ten zuidwesten van boerderij Leipzig aan had laten leggen terwijl Klein Heidekamp ten zuiden van Dresden gedeeltelijk gebouwd werd op de paardenrenbaan en op het rad, een park dat in cirkelvorm was aangelegd en er van boven uitzag als een wiel met spaken (fig.185) (Coers,1990).

Fig. 186 Engelse oorlogsfoto van 9 december1944 met daarop Klein en Groot Heidekamp. Ook zijn de boerderijen Dresden en Leipzig te zien en een stuk Vrijland. Bron: Gelders Archief, WO II. Map nr. 22 coll. 347 serie IX. 8 – 28

Voor de militairen werden verschillende onderkomens gebouwd. Ze bestonden uit legeringsgebouwen met garages en voorzieningen als een eetzaal, kapel en ontspanningsruimtes. De nieuwbouw werd in de bestaande structuur verweven en in de vorm van een dorpje aan de omgeving gevoegd. De kampen werden op enige afstand van het eigenlijke vliegveld aangelegd (fig.186). Door de afstand en de aan de omgeving aangepaste bouw camoufleerde men het vliegveld en maakte men de gebouwen zelf onopvallend. Toch werden de legeringsgebouwen extra zwaar gebouwd. De zogenaamde Splittersichere Unterkunfte werden opgetrokken door de muren minstens 55 centimeter dik te maken en te voorzien van stalen luiken. Deze luiken konden van binnenuit dichtgetrokken worden. Bij sommige barakken werden bovendien portalen gebouwd tegen de buitendeur om inslagen van bijvoorbeeld granaatscherven te voorkomen. Bij de opzet gingen de Duitsers uit van een drietal basisprincipes: onopvallendheid, zelfvoorzienendheid en bescherming biedend.

Fig. 187 Engelse luchtfoto van Deelen op 7 april 1945. De foto is in noordoostelijke richting genomen. Te zien is Groot Heidekamp. Het grote gebouw links van het midden is Vrijland aan de Koningsweg. De horizontale weg op de achtergrond is de Hooilaan met precies boven het midden een luchtafweer stelling (met bommen bestookt).

Vrijwel alle legeringsgebouwen voor manschappen vallen onder de categorie Regelbauten waarbij sprake is van een standaardontwerp dat werd aangepast aan bijzondere eisen en omstandigheden. De messgebouwen voor de officieren zijn, in tegenstelling tot die van de manschappen, bijna altijd unieke objecten die volgens kunsthistoricus K. Loeff (1999) getuigen van een hogere ontwerpkwaliteit.
Voor de gebouwen werd een basisontwerp gebruikt dat door het Duitse bouwbureau van de Luftwaffe was ontworpen. Toch zijn de gebouwen in Klein Heidekamp vaak anders dan in Groot Heidekamp. Hier werden de basisontwerpen aangepast aan de Gelderse omstandigheden, pannen- en rietdaken met aan het uiteinde wolfseinden. De gebouwen op Groot Heidekamp missen deze zaken soms en zijn meer in Duitse stijl gebouwd, dat wil zeggen met rechte gevels. De gebouwen hadden pannen- en rietdaken maar de zolders waren vaak loze ruimtes terwijl de zoldervloeren in 22 centimeter dik beton waren uitgevoerd. Dit alles om de geallieerde bombardementen te kunnen weerstaan.
Het hele complex is in ruim een half jaar gebouwd en de inrichting was ook modern met parketvloeren en natuurlijke materialen.
Hoewel de geallieerden wel wisten waar de legeringsgebouwen rondom vliegveld Deelen zich bevonden, hebben zij nooit een poging ondernomen om deze te bombarderen. Daardoor zijn deze gebouwencomplexen in gave toestand bewaard gebleven (fig.187).

Fig. 188 Kaart uit 1945 van de opbouw van vliegveld Deelen. Groot en Klein Heidekamp worden hier ‘Pilotenstad’ genoemd. Bron: Schiphol of …Deelen. (1945), Artikel of vliegveld Deelen Schiphol moet vervangen. In: Het Kompas, 3e jaargang, nummer 20. pp.68 – 69.

Groot en Klein Heidekamp nu

Van de in totaal ongeveer vierhonderd gebouwen op Nederlandse vliegvelden die zijn overgebleven uit de Tweede Wereldoorlog, staat ongeveer de helft op het vliegveld Deelen.

Fig. 189 Kaart uit 1945 met rechts de lintbebouwing van Groot Heidekamp en links de brinkstructuur van Klein Heidekamp. Bron: archief Nederlandse Heide maatschappij. Kaart van het vliegveld Deelen 1945, nr: 45001.

Fig. 190 Het gebied van Groot en Klein Heidekamp in 2003. Goed te zien is het grote aantal objecten die er na de oorlog zijn bijgekomen (vergelijk met fig. 189). Bron: Topografische kaart (met toestemming Provincie Gelderland).

Aan het eind van de oorlog waren er in Deelen zo’n zeven- à achthonderd gebouwen
neergezet en omdat defensie het terrein direct na de oorlog in handen kreeg kon er veel waardevol materiaal behouden blijven (fig.188, 189, 191). Van dit materiaal vormen de legeringsgebouwen van Groot en Klein Heidekamp die in Heimatschutz-Architektur zijn opgericht een uniek onderdeel.

Fig. 191 Groot en Klein Heidekamp vanuit de lucht gezien in 2003. De begroeiing is nu veel dichter als in oorlogstijd (zie fig. 56). Bron: Topografische dienst (met toestemming Provincie Gelderland).

Er zijn verschillende soorten gebouwen te vinden op Groot en Klein Heidekamp. Zo zijn er onder andere onderkomens voor personeel, kantines, administratie, garages, stook- en brandbestrijdingsgebouwen en is er zelfs een mortuarium aanwezig.

Groot Heidekamp
Het terrein van Groot Heidekamp is na de oorlog in handen gekomen van defensie waarna de gebouwen voor allerlei militaire doeleinden werden gebruikt. Onder meer werd er de Luchtmacht Elektronische en Technische School (LETS) gehuisvest. Hierdoor werd er onderhoud gepleegd en bleef een groot aantal gebouwen in goede staat (fig. 193, 194, 196, 197).

Fig. 192 Een legeringsgebouw welke in de naoorlogse jaren als oefengebouw voor de brandweer diende. Het gebouw verkeert in slechte conditie.

Na de luchtmacht nam de landmacht in de vorm van de Luchtmobiele Brigade het terrein in bezit en werd Groot Heidekamp bij de Oranje kazerne gevoegd.

Fig. 193 Het mortuarium.

De meeste gebouwen van Groot Heidekamp worden tegenwoordig niet meer gebruikt en staan leeg. Defensie heeft er wel interesse voor maar er blijkt in de meeste gebouwen asbest te zijn verwerkt zodat er eerst onderzoek moet worden verricht naar het verwijderen hiervan en welke kosten dit met zich meebrengt. Vanwege bezuinigingen bij defensie wordt er aan het onderhoud minder aandacht geschonken waardoor er een duidelijke verslechtering optreed (fig.190, 193).

Fig. 194 De officiersmess. Dit gebouw is nog in gebruik en in goede staat. In de houten buitendeuren zijn stalen platen verwerkt.

De bebouwing van Groot Heidekamp heeft de vorm van een lintdorp en is tevens gesitueerd rond twee brinken. Door het gebruik van de in de streek voorkomende materialen is men er in geslaagd om de gebouwen in de omgeving te laten opgaan.
In de loop der tijd hebben zich nieuwbouwontwikkelingen voorgedaan welke contrasteren met
de door de Duitsers aangelegde bebouwing. Zo is er een sportveld aangelegd met de nodige accommodaties en zijn er grote hallen geplaatst die dienst doen als oefen- en opslagruimte voor de militairen van de luchtmobiele brigade.

Fig. 195 Een in slechte staat verkerend onderkomen. Er zijn grote kosten verbonden aan het herstellen en asbestvrij maken.

De Duitsers bouwden Groot Heidekamp precies op de slenk die vanaf Terlet in de richting van Heelsum liep (zie slenksysteem) en welke hierdoor niet meer te volgen is.

Fig. 196 Boven een wachthuisje dat ook nu nog als zodanig dienst doet. Onder het wachthuisje van binnen gezien. De muren zijn meer dan 50 centimeter dik. Het geheel verkeert in prima staat.

Fig. 197 Deze voormalige woning verkeert in goede conditie maar staat leeg. Let op de door de Duitsers aangelegde klinkerweg die zij als typisch Nederlands beschouwden.

Groot Heidekamp heeft een parkachtig voorkomen. Vooral aan de oost- en zuidzijde zijn er veel bomen geplant. Het kamp was geheel zelfvoorzienend, dat wil zeggen dat er buiten het eigen ketelhuis ook gebouwen waren voor de verzorging en benodigdheden van de militairen zoals een artsenwoning, tandartsgebouw, ziekenhuis, administratiegebouwen en garages.
Groot Heidekamp vormt een prachtig geheel van gebouwen uit de oorlogsperiode die nog in behoorlijke staat verkeren en uniek zijn in hun soort.

Klein Heidekamp
Klein Heidekamp werd net als Groot Heidekamp na de oorlog onderdeel van de luchtmacht.
Ook dit complex was zelfvoorzienend met een verwarmingsgebouw, kantine, bureaus, badhuis en legeringsgebouwen. Het kamp was hoofdzakelijk voor officieren gebouwd en wel voor de piloten.
Klein Heidekamp is als brinkdorp opgezet en rondom de gebouwen is veel cultuurbos aangelegd dat inmiddels dichte vormen heeft aangenomen (fig.199, 208, 209).
Klein Heidekamp is een goed bewaard gebleven complex van gebouwen dat, met uitzondering van de kantine, in authentieke staat verkeerd. Van deze kantine is alleen de kelder overgebleven welke als vleermuisverblijfplaats dienst doet. Het heeft nu de status van beschermd natuurmonument (fig.198).

Fig. 198 Van de kantine is alleen de kelder overgebleven, er leven nu vleermuizen.

Fig. 199 Een legeringsgebouw voor vliegers met op de voorgrond een brandbestrijdingsput. De woning heeft een dak met wolfseinden.

Nadat defensie besloot om Klein Heidekamp toch maar voor zichzelf te behouden konden de bewoners, voor het grootste deel defensiepersoneel, in de woningen blijven. De woningen die leeg stonden werden bezet door krakers (fig.200, 201, 202). Van afbraak wat de bedoeling was, kwam niets meer terecht vanwege de monumentenstatus waar het terrein onder zou gaan vallen.

Fig. 200 De zolderverdieping van een gebouw. Duidelijk is de Duitse invloed op het geheel te zien. De vloer is van 22 centimeter beton en de kap van hout.

Fig. 201 De gebouwen zijn overgenomen door krakers die inmiddels officiële bewoners zijn geworden, dit vaak tegen de zin van de militairen die er al woonden.

Fig. 202 Het wonen in een voormalig officiersonderkomen heeft ook zo zijn voordelen; er zijn genoeg toiletten aanwezig.

Fig. 203 Het vroegere gevechtsleidingscentrum (Geschwader Befehlstelle) wordt nu gebruikt als woonruimte.

Het gebied behoort nu nog steeds aan Domeinen en zodra er een woning leegkomt zet men er de anti kraakwacht in. Dit valt niet in goede aarde bij de bewoners die er al jarenlang wonen en vaak oud militairen zijn (fig.207). Dit valt ook wel te begrijpen toen bleek dat er al twee jaar een hennepplantage aanwezig was waar niemand iets aan kon (wilde) doen.

Fig. 204 In de woning rechts heeft de kapper zijn praktijk. Veel militairen van de Oranjekazerne laten hier hun haar knippen.

Aangezien het gebied militair terrein is kunnen de bewoners binnen enkele maanden gesommeerd worden hun huis te verlaten. Deze clausule is in de contracten opgenomen.

Fig. 205 Het ketelhuis dat nog steeds Klein Heidekamp van verwarming voorziet.

Vanuit civiele kringen bestaat er ook belangstelling voor de gebouwen. Zo was er in 1995 het Televisie en Filmspeelgoedmuseum in oprichting (TV Toys), dat belangstelling toonde voor de voormalige officiersmess (fig.194). Zij vonden het gebouw een perfecte plaats om een museum in te richten vanwege het netwerk van wegen, de bus die er stopt en de weinige overlast die deze locatie met zich meebracht voor de omwonenden. De gemeente Arnhem nam een afwijzende houding aan vanwege het feit dat men de buitenrand van Arnhem als natuurgebied in stand wilde houden (Arnhemse courant, 6 september 1995).
Bij defensie bestaan plannen om de Oranje kazerne, waar de Lucht Mobiele Brigade gelegerd is, uit te breiden met delen van Klein Heidekamp.
Hiervoor zou het wachthuisje en een officierswoning weer op de Oranjekazerne komen te liggen (fig.206).

Fig. 206 Het wachthuisje is voorzien van een rieten schilddak. Dit huisje zou met de uitbreiding van de Oranjekazerne weer op hun terrein komen te liggen waardoor de bewoners dan zouden moeten vertrekken.

De saamhorigheid van de bewoners van deze kleine gemeenschap is niet zo groot als verondersteld mag worden. De bewoners spreken elkaar nauwelijks en zeggen elkaar hoogstens gedag. Er zijn hier ook geen clubhuizen of iets dergelijks te vinden waar de bewoners contacten zouden kunnen leggen.

Fig. 207 In dit voormalig officiersonderkomen woont nu een generaal buiten dienst. Het gebouw heeft geen wolfseinden maar is voorzien van een rechte gevel.

Hoewel de meeste gebouwen op Klein Heidekamp een woonbestemming hebben gekregen zijn er ook enkele gebouwen met een andere functie zoals een kapsalon (fig.204), een administratiegebouw, een werkplaats waar de marechaussee hun voertuigen onderhouden (fig.210) en een clubgebouw waar de Nationale Reserve haar onderkomen heeft.

Fig. 208 Een idyllisch doorkijkje op Klein Heidekamp. Het complex is zeer ruim opgezet.

Fig. 209 Tussen de gebouwen bevinden zich ook schuurtjes die wel een opknapbeurt kunnen gebruiken.

Fig. 210 De door de Duitsers gebouwde garages zijn gemoderniseerd en worden nu gebruikt door de marechaussee.

In het voormalige gevechtsleidingscentrum (Geschwader Befehlstelle) stond een matglazen plottafel opgesteld met daarop de kaart van noordwest Europa gegraveerd. Op deze kaart van 2 x 3 meter werden de posities van de vliegtuigen aangegeven.
De Duitsers vernielden de plottafel rigoureus door hem in zo klein mogelijke stukjes te slaan.
Medewerkers van het Museum Vliegveld Deelen houden zich momenteel bezig met het restaureren van de tafel door de scherven op te graven en er weer één geheel van te maken. Hiertoe meet men de dikte van het glas zodat men ongeveer weet waar welk stukje gelegen heeft (fig. 210a).

Fig. 210a In Museum Vliegbasis Deelen vormen duizenden stukjes glas een bijna onmogelijk op te lossen puzzel. Rechts op de voorgrond ligt de kaart met daarop uitgezet de dikte van de matglazen kaart.

Diogenes

Fig. 176 ‘Blitzmädel’, zij gaven met schijnwerpers de positie van de vliegtuigen aan. Bron: Signaal, nummer 10, 1944.

Fig. 177 Omgeving Diogenes omstreeks 1930. Bron: Topografische kaart 1932 (met toestemming Provincie Gelderland).

Fig. 178 Omgeving Diogenes (Rijksarchief) omstreeks 2003. Bron: Topografische kaart (met toestemming Provincie Gelderland).

Één van de imposantste bouwwerken in het onderzoeksgebied is de bunker ‘Diogenes’ die aan de Koningsweg is gebouwd. Het gebouw is momenteel als ‘Depot Schaarsbergen’ in gebruik bij Het Nationaal Archief (vandaar dat het op de kaart staat als ‘Rijksarchief’)(fig.177, 178).
Al in de jaren dertig werd in diverse landen geëxperimenteerd met radar. De proeven die de Duitsers op dit gebied ten behoeve voor hun luchtverdediging verrichtten, verliepen succesvol. Op 14 december 1939 wisten Duitse jagers, zes van de twaalf bommenwerpers die over de Noordzee naderden, neer te schieten. Vier dagen later ondergingen vijftien van tweeëntwintig aanvallende Britse bommenwerpers hetzelfde lot. Op een afstand van vijftig kilometer werden ze waargenomen door een radarapparaat van het type ‘Freya’. Radar had zich definitief bewezen in de Duitse luchtverdediging. Naast de voordelen die radar had was er het nadeel dat met het systeem geen onderscheid gemaakt kon worden tussen vriend of vijand. De Luftwaffe zocht en vond de oplossing van het plaatsbepalingprobleem van de eigen jagers in het ‘Y-systeem’. Een radiozender in een grondstation zond een signaal uit dat door een ontvanger in de jager werd opgepikt, vervolgens aan een zender in de jager werd doorgegeven die het signaal weer uitzond. In het grondstation, de Y-stelling, kon men het tijdsverloop tussen het uitzenden van het heensignaal en de terugontvangst van het retoursignaal meten. Uit het tijdsverschil van het signaal kon de afstand tussen de jager en de stelling worden afgeleid. Bovendien kon in de stelling de richting van waaruit het retoursignaal kwam worden vastgesteld. De combinatie van beide gegevens leverde de geografische positie van de jager op. Via een tweede frequentie kon tussen de Y-stelling en de piloot van de jager worden geconverseerd. De combinatie van de peil- en spreekfaciliteit noemde men een ‘Y-lijn’. Iedere stelling beschikte over ongeveer vijf Y-lijnen, hetgeen betekende dat in zo’n stelling vijf houten torens van circa twaalf meter hoogte stonden waarop de nodige meetapparatuur was aangebracht. De zenders die gebruikt werden hadden slechts een beperkt bereik. Omdat de Luftwaffe als eis stelde dat Y-navigatie tot op een hoogte van vijftig meter mogelijk moest zijn, was het noodzakelijk dat op verscheidene plaatsen in de sector van de divisie Y-stellingen werden opgericht (Tiemens, 1984).

Om de tactieken en technieken van het inzetten van jachtvliegtuigen (nachtjagers) in het donker mogelijk te maken, was al in januari 1942 (ten zuiden van het geconfisqueerde terrein van Sanatorium Koningsheide (zie Divisionsdorf) te Schaarsbergen een proefgevechtsleidingscentrum in gebruik genomen. Omdat de oude behuizing door de enorme groei van het aantal nachtvluchten en de toepassing van de nieuwste technieken daarin, spoedig ontoereikend bleek werd er besloten tot de bouw van een geheel nieuw gevechtsleidingscentrum waarin de opgedane ervaringen vervolgens werden uitgewerkt. Met de bouw van de enorme bunker met de codenaam ‘Diogenes’ werd in augustus 1942 begonnen. Diogenes ontleende zijn naam aan de beginletter ‘D’ van de plaats Deelen.
De bunker kwam op enkele honderden meters afstand van de oude commandopost te liggen.
Het gebouw was 62 meter lang, 40 meter breed en 23 meter hoog waarvan vier meter zich onder het maaiveld bevond. De muren en zolders hadden een dikte van drie tot vier meter en de bouw van de bunker, met een volume van 33.000 kubieke meter, vergde meer dan een jaar. Tegen de oostzijde van de bunker werd tevens een indrukwekkend administratiegebouw opgetrokken (fig.179). Het bouwmateriaal werd aangevoerd via het ‘bommenlijntje’ vanuit Wolfheze.
Voor de bouw van Diogenes was de keus gevallen op een perceel grond dat deel uitmaakte van een bijna tweeduizend hectare groot terrein dat de Duitsers voor de bouw van vliegveld Deelen van de eigenaar, de Stichting Het Nationale Park ‘De Hoge Veluwe’ in beslag hadden genomen. In het gebouw bevonden zich circa 150 vertrekken die met kolenkachels werden verwarmd. Het hele gebouw werd van elektriciteit voorzien door een eigen dieselaggregaat van een type die ook gebruikt werd in onderzeeboten. In het gebouw bevonden zich niet minder dan 36 wc’s en de ingangen en vluchtwegen konden worden afgesloten door stalen

Fig. 179 Bunker Diogenes aan de Koningsweg. De voorzijde van de bunker bestaat uit een administratiegebouw met daarachter de eigenlijke bunker. Bron: Asscher. In: Smaak, jaargang 2 nummer 12.

deuren. Als het gebouw in gebruik was waren er ongeveer 400 mensen tegelijkertijd aan het werk. Het dak was met netten gecamoufleerd tegen herkenning vanuit de lucht.
Het grootste en belangrijkste vertrek (15 x 20 x 12) was gesitueerd in het midden van de bunker. In deze ruimte was een matglazen kaart van twaalf meter breed en negen meter hoog geplaatst die beschenen werd met ultraviolet licht waardoor lijnen en tekens op de kaart sterk
oplichtten (fig.181).

Fig. 180 Dwarsdoorsnede van de commandozaal. Bron: Tiemens (1986), Teerosen op de Veluwe.

Fig. 181 Commandozaal van Diogenes met (5) het matglazen scherm met plattegrond van noordwest Europa en de gevechtleidingsofficieren op de banken. Aan de andere zijde van het scherm zitten de Blitzmädel. Bron: Signaal, nummer 10, 1944.

Aan de ene zijde in de commandozaal zaten aan lange trapsgewijs gebouwde tafels de gevechtleidingsofficieren die in voortdurende radioverbinding stonden met de jachtvliegtuigen. Op tweederde afstand in de zaal bevond zich de grote landkaart van matglas. Aan de achterzijde van de matglazen wand waren oplopende zitplaatsen gebouwd als in een collegezaal (fig.180). Hier zaten de Luftnachrichtenhelferinnen (Blitzmädel) die elk in verbinding stonden met een radarpost. Zij kregen de actuele meetresultaten door en projecteerden die dan met schijnwerpers op de doorzichtige landkaart (fig.176, 182). Op deze wijze konden de nachtjagers door de gevechtsleiders ‘blind’ naar het doel worden gepraat.

Fig. 182 Luftnachrichtenhelferinnen. Bron: Signaal, nummer 10, 1944.

De Duitse onderscheppingmethode bereikte in de loop van 1943 een hoge graad van perfectie. Dusdanig zelfs, dat de Britten de verliezen die ze leden, niet meer konden aanvullen. Met enige beduchtheid besloten ze ertoe over te gaan de Duitse radar te storen. Ze waren beducht omdat ze zich realiseerden dat de Duitsers met hetzelfde storingsmiddel de Britse radar kon treffen. Het middel was zilverpapier. Zilverpapier dat in pakken gebundeld werd en wanneer deze uit een vliegtuig geworpen werden, vielen ze open en vormden ieder op zich als het ware een wolk zilverpapier. Deze wolken reflecteerden de signalen van de radarzenders alsof het een bommenwerper betrof. De Duitse nachtjagers joegen zo op bommenwerpers die er tot hun stomme verbazing helemaal niet waren. De verwarring was compleet.
Vanuit Diogenes bleef de luchtverdediging zo goed en zo kwaad als het lukte georganiseerd worden en de Y-stellingen waren daarbij een onmisbaar werktuig. Diogenes bleef het middelpunt van een uitgebreid netwerk van verbindingen dat uitlopers had tot in Berlijn.
Op 18 september 1944, een dag na de luchtlanding bij Arnhem van de Britse troepen, verlieten de Duitsers de bunker Diogenes. Een achtergebleven ‘Sprengkommando’ kreeg de opdracht de gevoelige en waardevolle apparatuur in de grote zaal te vernietigen. Dat deden zij door twee vliegtuigbommen in de ruimte tot ontploffing te brengen. Het interieur liep daardoor inderdaad grote schade op maar het gebouw als geheel bleef ongedeerd.

Diogenes na de oorlog
Direct na de oorlog begon de afbraak van gebouwen op het vliegveld Deelen. Bouwmaterialen waren schaars en hard nodig voor het herstel van de oorlogsschade aan woningen in Arnhem en omgeving. Met de grote bunker kon men niets aanvangen totdat er iemand op de gedachte kwam dat het bouwwerk met zijn metersdikke muren van gewapend beton een ideale en dringend nodige opslagplaats kon zijn voor munitie en explosieven waarmee de omgeving na afloop van de oorlog bezaaid bleek te liggen. Dat dit niet helemaal zonder gevaar was blijkt uit een artikel in het Gelders Archief:

In en om de grote bunker, die de Duitsers de naam ‘Diogenes’ hadden gegeven, heerst volop bedrijvigheid. Een ploeg van acht man van de Hulpverleningsdienst (ressorterend onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken) is in het gebouw bezig met schoonmaken van binnengebrachte munitie. Een ploegje van vier man heeft zojuist in de bunker één van de daar opgeslagen bommen op een transportwagentje getakeld en manoeuvreert de ‘trolley’ met de zware vliegtuigbom (1500 kg) voorzichtig naar buiten. Waarschijnlijk willen ze de zogenaamde luchtmijn, berucht vanwege de vernietigende drukgolf die hij bij het ontploffen veroorzaakt, in de koele schaduw van de reusachtige bunker van zijn lading ontdoen. Juist wanneer zich een vijfde man bij het groepje voegt, explodeert de bom met een allesvernietigende kracht. De toedracht van het ongeluk is een raadsel en zal dat altijd blijven. Zat er – zonder dat de mannen dat wisten – nog een ontsteker in de bom? Waren ze nog bezig het ding naar buiten te rijden? Of waren ze al begonnen met het werk aan het projectiel? De recherche van de Arnhemse gemeentepolitie houdt het er in haar rapport over het ongeluk op, dat ze al bezig waren de springstof te verwijderen toen de bom op onverklaarbare wijze tot ontploffing is geraakt. Hoe de recherche hierbij komt vermeldt het rapport echter niet (Tiemens, 1998).

In het begin van de jaren vijftig besloot men om Diogenes en de omliggende grond over te dragen aan het Rijk dat in de bunker een hulpdepot van het toenmalige Algemeen Rijksarchief wilde vestigen.
Door de jaren heen werden er aanpassingen in het interieur doorgevoerd. In de grote zaal werden tussenvloeren gelegd en overal werden planken aangebracht zodat een schier eindeloze hoeveelheid archiefruimte ontstond. Kennelijk werden er belangrijke archiefstukken
opgeslagen want men vond het in 1952 de moeite waard om voor de beheerder een woning bij de bunker in te bouwen zodat er voor 24 uur per dag bewaking was. Naderhand werd de woning weer opgeheven omdat in het tijdperk van de elektronica een doeltreffender manier van beveiligen werd gevonden. Dit had nog heel wat voeten in de aarde omdat er volgens de gemeente Arnhem een woning aan het woningbestand werd onttrokken. Er werd dan ook aan het Rijk een nota gestuurd van 28.000 gulden die men trouwens niet wenste te betalen omdat het om een ‘inpandige beheerdersruimte’ zou gaan die niemand van buitenaf zou kunnen bereiken.

Diogenes nu
Tegenwoordig wordt Diogenes nog steeds gebruikt als archief (fig.183). Het Rijk is nog steeds de eigenaar maar particuliere instellingen kunnen er ook terecht. In totaal zijn er nu 26 kilometer aan archiefstellingen en veel rijks- en particuliere instellingen, gemeenten, rechtbanken, musea en universiteiten hebben hier hun archieven opgeslagen. Drie kilometer stelling van het ministerie van justitie, dertien kilometer ziekenhuizen, één kilometer NUON, enkele honderden meters voor het Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek. Zelfs de oude wc-ruimten zijn nu als archief in gebruik. Ook is er een map met het testrapport van de kruiser De Ruyter, het vlaggenschip van Karel Doorman dat nu op de bodem van de Javazee rust. Het is maar een van de documenten uit het complete koloniale archief van voormalig Nederlands-Indië dat in totaal enkele duizenden meters beslaat.

Fig. 183 Archief in Diogenes. Bron: Asscher. In: Smaak, jaargang 2 nummer 12.

Het hulpdepot verhuurt ook opslagruimte aan particulieren. Van de grote centrale zaal, gebouwd in het hart van de bunker, is niets meer over. Op de plaats waar de Duitsers vroeger hun zenuwcentrum hadden staan nu alle denkbare voorwerpen en machines die in Nederland de afgelopen eeuw in gebruik waren. De collectie is van het Nederlands Openlucht Museum en de constante temperatuur en luchtvochtigheid zorgen ervoor dat de voorwerpen zo min mogelijk aan verval onderhevig zijn. Onder in de kelder bevinden zich nog steeds de resten van de dieselmotor die in geval van stroomuitval de noodstroomgenerator aandreef. Er omheen ligt het puin dat men daar in de loop der jaren deponeerde (fig.184).

Fig. 184 Het noodstroomaggregaat van Diogenes staat nog onder in de kelder. Een zelfde type motor werd ook in de Duitse onderzeeboten gebruikt voor het opwekken van stroom. De ruimte werd later gebruikt voor het storten van puin. Bron: Asscher. In: Smaak, jaargang 2 nummer 12.