Categorie archief: Vliegveld Deelen

Vliegveld Deelen nu

Met de teruggave van een deel van het vliegveld aan het nationale park de Hoge Veluwe zijn de afscheidingen ook dichter op het vliegveld gezet en zijn veel oude stukken rolbaan en dispersals buiten het hekwerk komen te liggen (fig.35, 36, 37). Deze stukken rolbaan werden door de jaren heen ook voor andere functies gebruikt zoals een slipschool, houtopslag en natuurontwikkeling. Van de verschillende gebruikers kan men nog altijd sporen terugvinden (fig.38, 39, 40).

Fig. 35 Deze afbeelding toont een opgebroken rolbaan die vanaf het vliegveld in de richting van het park de Hoge Veluwe loopt.

Fig. 36 Een gedeelte van de rolbaan op openbaar terrein met daarachter de rolbaan op militair terrein. De foto is genomen op het zuidelijkste puntje van het vliegveld met links het eindpunt van het bommenlijntje.

Fig. 37 Het zuidelijke gedeelte van het vliegveld is inmiddels ook openbaar gebied geworden en de stukken rolbaan en opstelplaatsen zijn ingericht als recreatiegebied.

Fig. 38 Op het terrein van de Hoge Veluwe liggen nog altijd de resten van dumponderdelen. Men vermoedt dat er in de bommenkraters nog grote aantallen onderdelen begraven liggen die de Canadezen niet de moeite waard vonden om mee te nemen.

Fig. 39 Aan de zuidwestzijde van het vliegveld worden de rolbanen gebruikt om het hout op te slaan wat publiekelijk wordt verkocht. Hier was voorheen de slipschool gevestigd.

Fig. 40 De dieren zien het liefst één groot natuurterrein zonder hekken en andere obstakels en zij doen er alles aan om deze te overbruggen. Hier het raster tussen de vliegbasis en de Hoge Veluwe.

Fig. 41 De oost-west baan werd al lang niet meer gebruikt en is nu begroeid met gras. Het rechter gedeelte van de baan wordt nu gebruikt als route om snel het vliegveld over te steken in de richting van de verkeerstoren.

Van het banenstelsel op het vliegveld werden de oost-west banen al lang niet meer gebruikt en deze zijn, nadat men de bovenlaag er afgeschraapt had, nu begroeid met gras (fig.41).
De noord-zuid hoofdbaan bleef langer in dienst maar nu heeft men hier ook de bovenlaag van afgeschraapt. Er groeit hierop nog geen gras.

Waardering

Ouderdom:
Hoewel er hier al voor de oorlog een vliegveld heeft gelegen wordt dit niet meegerekend bij de vaststelling van de ouderdom. Het vliegveld is beginjaren ’40 aangelegd en is nu dus 64 jaar oud. De monumentenwet beschouwd 50 jaar als de minimale ouderdomsgrens (legenda: 1).
Samenhang:
Het vliegveld is ontstaan door de fysisch geografische ligging tussen Engeland en Duitsland en de aanwezige ruimte in 1940. Dit was dus sterk afhankelijk van de geografische gesteldheid op dat moment (legenda: 2).
De samenhang van de op het terrein aanwezige objecten maakt van het vliegveld een uniek geheel. De objecten op het vliegveld hebben een grote historisch functionele verbondenheid die niet los gezien kunnen worden van elkaar (legenda: 2).

Zeldzaamheid:
Een vliegveld in de oorlog aangelegd door de Duitsers en dat nog in een zo complete mate aanwezig is mag als zeer zeldzaam worden beschouwd. De objecten waaruit het bestaat zijn alleen binnen het gebied aanwezig en komen verder in deze vorm nergens voor (legenda: 2).
Binnen Nederland is een vliegveld uit deze periode nergens in deze staat aanwezig (legenda: 2).

Kenmerkendheid:
Het vliegveld Deelen heeft een zeer landschapsbepalend karakter. De elementen en objecten waaruit het bestaat vormen hier in hoge mate de landschappelijke ontwikkeling in het verleden. Een eigenschap van kenmerkendheid is ook dat een belangrijk deel van in Nederland aanwezige exemplaren zich in het onderzoeksgebied bevindt en dat is hier het geval (legenda: 2).

Gaafheid:
Hoewel er veel objecten in de loop der jaren zijn gesloopt of voor andere doeleinden zijn gebruikt waarbij zij werden aangepast, zijn veel elementen nog in originele staat aanwezig. Dat het terrein van het vliegveld na de oorlog in dienst is gebleven is daar debet aan en heeft ervoor gezorgd dat het object nog zeer goed herkenbaar is hoewel niet meer compleet aanwezig (legenda: 1).

Waterlopen Hoge Veluwe

Fig. 42 Geomorfologie van het onderzoeksgebied. Bron: Ambt en Heerlijkheid

Tijdens het Saalien (de voorlaatste ijstijd) reikten de stuwwallen tot aan het huidige Rijndal. Binnen het door landijs bedekte gebied was een deel ijsvrij gebleven. Dit deel bevindt zich tussen de zuidelijke Veluwestuwwal bij Arnhem, de westelijke stuwwal bij Ede en Oud Reemst en de oostelijke stuwwal langs de IJssel. Op het kaartje is dit gebied gestreept aangegeven (fig.42). Zie ook hoofdstuk 3.
Aan het einde van het derde ijstijdperk was aanvankelijk de afvoer van het dooiwater, door het daar nog aanwezige ijs, in noord-oostelijke richting gestremd. Daardoor heeft de afvoer ervan tijdelijk langs de achterzijde van de Zuidelijke Veluwestuwwal in zuidwestelijke richting plaatsgevonden. De stroming was krachtig genoeg om veel zand mee te nemen doch ook het grind dat zich in de bodem bevond is blijven liggen zodat daar nu in de bovenste grondlagen veel van aanwezig is. De geul welke door het ijssmeltwater werd uitgespoeld is onder andere door verstuiving plaatselijk weer opgevuld maar daardoor is de essentie van de terreinopbouw niet aangetast. Later, tijdens en na het vierde ijstijdperk, heeft hier nog afvoer van sneeuwsmeltwater plaats gevonden waardoor zogenaamde secondaire insnijdingen (geulen in een geul) zijn opgetreden.
Maarleveld heeft het ontstaan van de Veluwse dalen verklaard als een gevolg van de permanent bevroren ondergrond tijdens het Würm-glaciaal waardoor in die tijd de afwatering uitsluitend over de oppervlakte plaatsvond. Bij het einde van deze periode ontdooide de bodem geheel zodat het water weer ondergronds kon worden afgevoerd en de dalen droog kwamen te liggen.

In Nederland, liggend in een gebied met een gematigd zeeklimaat, valt regen in alle jaargetijden. Voor de Veluwe komt daarbij dat er ca. 300-350 millimeter regen per jaar meer valt dan er verdampt. Een deel van dit neerslagoverschot wordt als oppervlaktewater afgevoerd. Door de zandige bodem op de Veluwe zakt echter een groot deel weg en dit wordt niet via de oppervlakte afgevoerd maar via het grondwater.
Het grondwater in het centrum van de Veluwe staat hoger dan aan de randen. Door het hierboven al genoemde neerslagoverschot zou dit water steeds hoger komen te staan maar door de wet van communicerende vaten zal het water overal een gelijk niveau proberen te bereiken. Hierdoor gaat het water van hoog naar laag stromen waardoor ondergronds een stroming ontstaat vanuit het centrum naar de randen. Het verschil in grondwaterstand bedraagt soms wel 45 meter (fig.43).

Fig. 43 Het grondwatersysteem op de Veluwe. Bron: De Marke

Vanwege de bodemstructuur op de Veluwe wordt het meeste water aan de oostzijde afgevoerd naar de IJssel. Aan de randen van de Veluwe staat het grondwater dus minder diep en daar waar het aan de oppervlakte komt kan zich dan een beekje vormen.
Bij wat langere droogteperioden kunnen de beken op de Veluwerand snel zonder water komen te staan en daarom ging men voornamelijk in de 17e eeuw maar ook eerder over tot het graven van bronnen, vaak zelfs meerdere voor één sprengenstelsel. Door deze ‘sprengkoppen’ uit te graven tot op het (schijn)grondwater had men een extra hoeveelheid grondwater tot zijn beschikking.
Sprengen zijn uniek voor de Veluwe. Eén spreng ligt er in het Montferland, er zijn er enkele in de buurt van Nijmegen en een paar honderd op de Veluwe. Buiten Nederland komen sprengen niet voor.
Wanneer de spreng is uitgevonden is niet bekend, wel bekend is dat er bijna duizend jaar geleden al een watermolen draaide bij Velp en rond 1740 waren er op de hele Veluwe al 150 sprengen waarvan het grootste gedeelte voor de papierindustrie draaide (Hegener, 2002).
In Laag Soeren werden de sprengen gebruikt om het kuuroord Bethesda van water te voorzien. Jut van Breukelen was de oprichter hiervan nadat hij in Duitsland door middel van een kuur genezen was (Gazenbeek, 1982).
Een spreng begint met een sprengkop, een trechtervormige kuil van een paar meter diepte, vanwaar het water door de spreng afwaarts stroomt en molens kan aandrijven, water voor de papierfabriek of wasserij kan leveren of kanalen vullen (Apeldoorns kanaal).
Door het lange verblijf ondergronds heeft het water altijd een constante temperatuur van 8 graden.
Na 1945 was het met de laatste functionele watermolens gedaan. Wasserijen gebruikten nog wat sprengen voor de aanvoer van schoon water maar dat was ook spoedig afgelopen. Het resultaat was dat de sprengen na deze tijd ten prooi vielen aan dichtslibbing en vergetelheid.

Fig. 44 De slenk op de kaart 1865-1912. Zij begint rechtsboven in de hoek boven de Velperberg en loopt dan via de Hooiweg (laan) in zuidwestelijke richting. Bron: Topografische kaart 1912 (met toestemming Provincie Gelderland).

Zoals in het deel over Terlet en de Galgenberg al is vermeld kan de naam Terlet er ook op duiden dat er een gegraven afwatering aanwezig is. Er was namelijk een sprengkop uitgegraven bij Terlet en het water hiervan liep naar het zuiden in de richting van de Broukuylen. Dit gebied ligt ten noorden van de Velperberg en is onderdeel van het slenksysteem dat ontstond door de grote hoeveelheden smeltwater die hier in het verleden zijn afgevoerd vanaf het Terletseveld en de Velperberg (fig.44).
In later tijd bracht de ontwikkeling van de heide nog een terugkeer tot het systeem van bovengrondse afvloeiing, zij het op kleinere schaal. De heide vormt een zure pikkerige humuslaag en sluit daarmee de bodem geheel af. Het regenwater kan er slecht in doordringen en blijft na een regenbui in plassen op de heide staan die later grotendeels weer door de zon worden verdampt. Bij stortbuien en vooral bij sneeuwsmelt blijven grote hoeveelheden water op de heide staan die afstromen naar de laagste gedeelten (Roorda, 1945).
Onder gunstige omstandigheden kan ook nu nog veel water worden afgevoerd. De frequentie is weliswaar klein maar bij veel water kan er aanzienlijke schade ontstaan aan de Apeldoornseweg die als een barrière fungeert. Bij de aanleg van de nieuwe A50 heeft men hier al rekening mee gehouden door een duiker in te bouwen.
Na deze duiker vervolgt de slenk zijn weg over het zweefvliegveld en kruist de Hooilaan.
Vervolgens kruist de slenk de Koningsweg en daarna loopt hij via de Koningsheide naar de Oranje kazerne. Toen de Duitse bezetter Groot Heidekamp ging aanleggen hield men geen rekening met landschappelijke elementen en werd de slenk geëgaliseerd waarna men er het Groot Heidekamp ging aanleggen (fig.45). Na de oorlog kreeg Defensie het terrein in bezit waarna men het Groot Heidekamp uit ging breiden met de Oranjekazerne. Hierdoor kwamen er zoveel objecten op de slenk te staan dat hij hier niet meer te herkennen is (fig.46).

Fig. 45 Het slenksysteem op de kaart van 1932. Er zijn inmiddels veel stukken heide in het slenkgebied gecultiveerd met bosaanplant. Bron: Topografische kaart 1932 (met toestemming Provincie Gelderland).

Vroeger moet de beek in de richting van Heelsum zijn loop hebben gehad om daar uit te komen in de Heelsumse beek waar hij een korenmolen van water voorzag. Vermoedelijk is de beek drooggevallen door daling van het grondwaterpeil en werd het onderhoud te arbeidsintensief waardoor de beek verzandde. De verwaarloosde uitgravingen werden dichtgegooid.

Het slenksysteem nu

Fig. 46 De slenk loopt tot Groot Heidekamp op de Oranje kazerne waar hij onder de grond verdwijnt. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming Provincie Gelderland).

Het tegenwoordige slenkgebied is op sommige terreinen nog goed te volgen. Tussen de Hooilaan en de Apeldoornseweg ligt hij gesitueerd op het zweefvliegterrein. Dit terrein is afgesloten voor publiek en wordt onderhouden door een bureau gespecialiseerd in groenvoorziening die de begroeiing binnen de perken houdt. Landbouw wordt er niet bedreven net zo min als bosaanplant.
Anders is het gesteld in het gebied tussen de Hooilaan en de Koningsweg. Hier zetelt de Arnhemse Motorclub die het terrein gebruikt om te crossen. Een complete baan is aangelegd met heuvels en kuilen welke het terrein een totaal ander aanzien hebben gegeven.
Tegen dit crossterrein ligt de militaire oefenbaan voor licht materieel welke er ook voor heeft gezorgd dat het aanzien van de omgeving een totale verandering heeft ondergaan. De slenk is ook hier niet meer als zodanig te herkennen.
Tussen de Koningsweg en de Oranjekazerne is het slenksysteem nog het best te onderscheiden.
Bij de grote bosbrand in 1976 is het bosareaal voor het grootste gedeelte verbrand. De brand begon aan de oostzijde van de Apeldoornseweg en sloeg de weg over in de richting van de kazerne. De kazerne werd met man en macht natgehouden om overslag vanaf de heide te voorkomen en men slaagde daar wonderwel in. De Koningsheide kon niet worden gered en verbrandde voor het grootste gedeelte.
Na de brand werd er nieuw bos aangeplant waarbij men het slenksysteem vrij van bomen liet. Het terrein is nu opengesteld voor wandelaars en fietsers en biedt een prachtig uitzicht over de slenk (fig.47).

Fig. 47 De slenk (gezien in noordelijke richting) tussen de Apeldoornseweg (rechts) en de Oranjekazerne (links).

De slenk loopt nu dood tegen de Oranjekazerne. In de oorlog werd de slenk geëgaliseerd waarna er het Groot Heidekamp werd gebouwd. Na de oorlog werd het kamp opgenomen in de Oranjekazerne waarna er nog meer objecten werden bijgeplaatst. Hierdoor is er van de slenk niet veel meer te zien als een laagte die doodloopt tegen het militaire complex.
Bij overvloedige regenval stroomt het water van de spreng in de richting van de kazerne waar het dan in de bodem wordt opgenomen en ondergronds verdergaat in zuidelijke richting.
In Arnhem komt het slenkwater weer bovengronds in de vorm van beken zoals in het park Sonsbeek, of in de vorm van wellen zoals in de Rosandepolder.

Waardering

Ouderdom:
De slenk vond zijn oorsprong in de derde ijstijd toen het smeltwater zijn weg zocht en de geul uitsleet. De ouderdom is hierdoor meer dan 100 jaar (legenda: 2).
Samenhang:
De slenk is ontstaan door het smeltwater dat onder weersinvloeden ontstond. Het water liep langs de hellingen van het geaccidenteerde terrein zodat de samenhang met de fysisch geografische gesteldheid van dit terrein groot is (legenda: 2).
De samenhang met andere objecten is hier niet aanwezig, de slenk staat op zichzelf (legenda: 0).
Zeldzaamheid:
Binnen het gebied komen nog wel enkele slenken voor alhoewel deze niet van hetzelfde formaat zijn. Zeldzaam zijn zij hier dus niet (legenda: 1).
Binnen Nederland komen slenken ook wel voor maar niet in dit formaat (legenda: 1).
Kenmerkendheid:
Voor het onderzoeksgebied is de slenk sterk kenmerkend. De slenk heeft een sterk beeldbepalende functie in het geheel van de stuwwallen waarop hij gelegen is waardoor het gebied een sterke eigen identiteit heeft (legenda: 2).
Gaafheid:
Buiten het graven van sprengkoppen waarvan het water een uitweg vond door de slenk is er nooit enige vorm van menselijke invloed uitgeoefend op de slenk. Wel is er sprake geweest van weersinvloeden waardoor de vorm in de loop der tijd erodeerde (legenda: 2).

Grafheuvels op De Hoge Veluwe

Fig. 48 De route van Rozendaal naar Deelen die door de heer Craandijk rond 1890 werd afgelegd om bij de urnenvindplaats te komen. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming van Provincie Gelderland).

De eerste boeren die in Arnhem neerstreken begroeven hun doden in grafheuvels. Deze werden omstreeks 2400 voor Christus voor het eerst aangelegd in de omgeving van Schaarsbergen. Nog altijd bevindt zich daar een twaalftal van deze grafmonumenten (fig. 49).

Fig. 49 Grafheuvel in de buurt van Schaarsbergen. Deze is uit het jaar 3200 v. Chr. waarvan er op het landgoed Warnsborn in totaal 6 te vinden zijn. Alle 6 zijn opengelegd geweest. De vondsten uit de opgravingen in 1947 / 1948 liggen in het Historisch museum in Arnhem.

Slechts één van de bij Schaarsbergen onderzochte grafheuvels bleek een echt grafinventaris te bevatten. Het betrof hier een zogenaamde standvoetbeker, een vuurstenen mes en een vuurstenen bijltje. De standvoetbeker is een van de oudste voorbeelden van een reeks typen bekers die tussen 2400 en 1700 voor Christus gemaakt moeten zijn.
Ook bij Deelen werden archeologische vondsten gedaan. Het ging hier om zogenaamde klokbekers die bij het aanleggen van een weg op de heide ten zuiden van Deelen boven de grond kwamen. Hoe de vondst van deze klokbekers in zijn werk is gegaan wordt weergegeven door J. Craandijk in zijn boek wandelingen door Nederland uit 1894 waarin hij beschrijft hoe hij samen met de heer Kraijesteijn een tocht naar Deelen maakte om urnen te gaan opgraven.

In de buurt van Delen waren een vijftiental urnen gevonden en vermoedelijk zou de voorraad aldaar nog niet zijn uitgeput. De uitnoodiging, om over eenige dagen daar nog eens ons fortuin te gaan beproeven, wordt met gulheid gedaan en met gretigheid aangenomen.
’t Was een heerlijke lentemorgen, toen wij het hooggelegen hotel verlieten, om den belangwekkenden tocht te beginnen. Twee wagens zijn gereed gemaakt voor den gastheer, zijn gasten en de noodige proviand. ’t Verlof van den baron van Pallandt, eigenaar van het terrein der opgravingen, is verkregen. De wakkere gravers uit het gehucht den Imbosch, die ook den vorigen keer het werk hebben gedaan en er slag van hebben gekregen, zijn ter plaatse
bescheiden. Behalve de chef der expeditie en de wandelaars met pen en potlood, zijn van Rozendaal tegenwoordig de predikant van Westerheene en de heer Steygerwald, uit Velp de gepensioneerde generaal der artillerie de Villeneuve en uit Arnhem Mr. Staats Evers, lid der Provinciale Staten en directeur van het stedelijk museum.
Wat vooruitgang zien wij in de natuur, sinds den tijd toen wij ’t laatst hier waren. Wat hebben de bladeren zich ontplooid en met wat rijken dos heeft zich het geboomte gekleed! Maar ook, menig uitzicht en doorkijkje is thans door het loof weggenomen en menig boschpad toont zich in gansch ander licht.

’ t Gaat langs den Schelmscheweg, eerst over Rozendaalsch gebied, dan achter de bosschen van Angerenstein en langs de hooge boomgroepen van Valkenhuizen, waar wij op den Apeldoornschen straatweg uitkomen.
Vervolgden wij den Schelmschen weg, die rechtuit doorloopt, dan mochten wij niet verzuimen, zijwaarts afteslaan naar de diepe vallei, waarin wij een poëtische waterkom onder hooge stammen tusschen het hakhout verborgen vinden (fig.1).

Fig.1 Poel bij de Waterberg. De naam heeft waarschijnlijk te maken met plaatselijke ontginningen. Eeuwenlang werden hier leemkuilen geëxploiteerd als winplaats voor leem dat gebruikt werd voor woning- en stalvloeren en gemengd met strohaksel voor muren van schaapskooien en stallen. Ook de bodems van sprengen werden er wegens de eigenschap van ondoordringbaar-heid voor water mee bedekt. Tegenwoordig vindt men er een manege en een vroeger munitiedepot (Galgenberg) dat verworden is tot een soort vrijstaat waar kunstenaars en krakers wonen.

Deze wilde en eenzame boschpartij, wier nabijheid de wandelaar langs den weg niet zou vermoeden, is onder de naam van den Waterberg bekend. Vroeg in het voorjaar, als de bladeren nog niet zijn uitgegroeid, is de kom echter beter te overzien en reeds in de meimaand is van het eigenaardig schoon er van iets verloren gegaan.
– Wij slaan den hoek om, langs de bij de Arnhemmers welbekende uitspanning, die eertijds een vereenigingpunt der valkeniers moet zijn geweest (fig.2).

Fig.2 Het vroegere verenigingspunt der valkeniers was Valkenhuizen, tegenwoordig is daar niets meer van te vinden. De foto is in noordelijke richting vanaf de Schelmseweg genomen, links loopt de Apeldoornseweg.

Fig.3 Kruising Koningsweg/Apeldoornseweg. De weg in de richting Terlet is nu een brede autobaan geworden en waar deze gekruist werd door de Oude Koningsweg van Dieren naar Ede ligt tegenwoordig een viaduct.

Het Arnhemsche stadsbosch blijft ons lang terzijde en als het ten einde is, dan zien wij van verre in de heide de bouwvelden en boschjes van het gehucht Terlet, als een oase in de woestijn. Volgens een oude kaart stond hier de galg van Rozendaal, het symbool der hooge

heerlijkheid, en in de geschiedenis van Gelderland is de nederige buurtschap niet onbekend. Op een reis van Hattem naar Arnhem, die destijds over Terlet ging, kwam hertog Reinald IV hier aan, om van daar als een doode naar Rozendaal te worden gebracht. Door een plotselinge krankheid overvallen, stierf de wakkere vorst, op een onmisbare maar onaanzienlijke plaats, een roemloozen dood.
De breede, lijnrechte zandweg, die de onzen snijdt, is de oude Koningsweg, door Willem III
Aangelegd (fig.3). Van het huis te Dieren liep hij recht op Ede aan. Een weinig voorbij den Koningsweg verlaat een zandig spoor ter linkerzijde den straatweg (Hooiweg). Dwars door de heide, hier en daar tusschen beuken en berken, leidt hij in een goed uur naar Delen.
Dien hebben wij noodig. Wild en woest is het landschap; alleen van verre vertoonen zich
huizen en boomen. ’t Zijn de merendeels nieuwe boerderijen van Schaersbergen. Voor ’t overige alles wildernis.
Eigenaardig is de breede uitholling in den grond, die wij voorbijkomen en over een aanmerkelijke uitgestrektheid met het oog kunnen volgen. ’t Schijnt wel de droge bedding van een voormaligen rivierarm (fig.4).

Fig.4 De slenk ligt even voor het motorcrossterrein waarvandaan de foto is genomen. Wat aangeduid wordt met voormalige rivierarm is de bedding van de Terletse beek die ontsprong in de slenk tussen de Terletseberg en de Wolfdelsberg. Deze slenk was ooit de sprengkop van de Heelsumse en/of de Wolfhezense beek en moet de korenmolen van Oud Wolfheze van water hebben voorzien. Vermoedelijk verzandde de beek te snel en werd het onderhoud te arbeidsintensief. De verwaarloosde uitgravingen werden dichtgegooid. De afbeelding laat een gedeelte van de slenk zien waar pal ernaast de Arnhemse motorclub haar crossterrein heeft.

Fig.5 Het motorcrossterrein vanaf de Hooilaan gezien.

Fig.6 Het militaire oefenterrein met de hooilaan op de achtergrond. Aan de linkerzijde van de Hooilaan ligt tegenwoordig het op kaarten zo intrigerende hoefijzervormige gebied wat bestaat uit een oefenterrein voor lichte militaire voertuigen en vrachtwagens.

Fig.7 De oefenplaats voor naar het buitenland uit te zenden militairen. De militairen bekwamen zich hier in het opbouwen van kampen en in het omgaan met de bevolking. In de verte ligt de Writsaerthoeve, één van de vier Heemskinderen.

’t Was bij het omzetten van de grond voor den aanleg dezer laan, jaren geleden, dat een menigte scherven van aardewerk voor den dag kwamen. Er werd destijds niet op gelet, maar de overlevering werd toch bewaard en kwam ten laatste den heer Kraijesteijn ter oore. Dat gaf hem aanleiding tot de eerste welgelukte opgraving, waarvan de vruchten in het Leidsch Museum worden bewaard. Wij komen er op den naoogst (fig.8).

Fig.8 ‘Het oog’, een oriëntatiepunt voor de vliegtuigen. De Hooilaan bestaat hier uit een halfverharde zandweg en splitst zich op dit punt vanwege een poel. De zweefvliegers noemen dit punt ‘het oog’ en gebruiken het als oriëntatiepunt.

Zie, daar staan reeds de mannen uit den Imbosch. Zij maken front met de geschouderde spaden. “Wij hebben er al een”, klinkt het bemoedigend. Inderdaad, zij hebben er al een, en een fraaie goedbewaarde urn is het! Een grote veldkei ligt er in.
Voorzichtig wordt de vondst ter zijde gezet, om straks, als wij te huis zijn gekomen, met overleg te worden onderzocht. De gravers hebben lust in het werk en een goed oog. De volksstam, die hier de asch zijner dooden bijzette, wierp geen grafheuvels op. Een kuil van een paar voet diep werd gegraven, daarin werd de urn geplaatst en de aarde er over geworpen. Zoo zijn het nauw merkbare oneffenheden in de heide, die den weg moeten wijzen en vaak is ’t meer raden en gissen, dan dat er betrouwbare aanwijzingen zouden bestaan. De kuilen, van de vorige afgraving afkomstig, zijn nog overal in den omtrek te zien, maar zij liggen zonder eenige orde door en nevens elkander. Maar deze kinderen der heide hebben een zeker instinct. “Hier zal wel iets zijn”, zeggen zij en de scherpe spade doorsnijdt de harde korst. Spoedig zien zij, of er kans is, iets te vinden. Wanneer de donkere bovenlaag en het witte zand daaronder scherp zijn gescheiden, dan is de grond ongeroerd en zij behoeven niet verder te zoeken. Zijn beide grondsoorten gemengd, dan is dit het teeken, dat er gegraven is. Daar liggen steentjes, kluiten aarde, maar ook – enkele schilfers been, een stuksken houtskool. Nu met beleid voortgegaan. Voorzichtig wordt de grond weggenomen. “Daar is de pot!” De rand komt voor den dag. Fragmenten van verbrande beenderen liggen er om heen, houtskool is er onder gemengd. Met het mes, met de vingers wordt hij los gemaakt. “Pas op, na zoolang onder den grond te hebben gestaan, is hij week en bros.” Sommigen vallen in scherven, eer nog een hand hen heeft aangeraakt. Anderen zijn reeds voorlang bezweken onder den last, die er op drukte en alleen enkele brokstukken zijn er van te verzamelen. Eén, schijnbaar gansch ongeschonden, valt uiteen, zoodra hij met de buitenlucht in aanraking komt, maar uit de asch, waarmede hij gevuld is, komt een kleine, tamelijk fraai versierde en vrijgoed bewaarde urn te voorschijn. Een andere, die ook niet gered kon worden, bevatte het fragment van een schaal met kleinen voet, of van een deksel met knop.’t Is een aardig tafereel op de groote, eenzame heide, waard, dat de schilder er een schets van maakt met de overoude, bijna vergane houtskool, zoopas aan het licht gebracht.
Hier een troepje gravers, bezig nieuwe buit op te sporen. Elders een ander, ijverig een pas gegraven kuil onderzoekend, terwijl een paar belangstellenden nauwlettend toezien wat er mag worden gevonden. Ginds eenigen in de beschouwing en aanvankelijke reiniging van de pas opgegraven urn verdiept. Ven verre klinken de klokjes der weidende schapen en de wollige kudde verspreidt zich over de heide. De herder, die nooit zooveel menschen daar bijeen heeft gezien, laat hen ditmaal hun eigen weg gaan en komt met meer haast, dan hij in jaren gemaakt heeft, aanwandelen om te zien, wat er te doen is. En weldra grijpt ook hem de ijver voor de oudheid aan. Met zijn schopje gaat hij meê graven en zelfs zijn hond vergeet de kudde voor zóó ongewone dingen als hij in zijn tot dusver onbetwist gebied ziet gebeuren.
Ter afwisseling laat de lunch van den meêgebrachten voorraad op het korte gras onder de beuken zich uitnemend smaken. En komt een stortbui onverhoeds het maal verstoren, geen nood. De urnen worden met een kleed bedekt en overigens wordt, zoo goed het gaan wil, in de rijtuigen bescherming voor den neêrstromende regen gezocht. Ook wordt het terrein verder verkend. Opmerkelijk is aan den anderen kant der laan een diepe kom, met een’ kleinen waterpoel in het midden. ’t Heeft er allen schijn van, alsof hier, in dit van alle kanten ingesloten dal, de legerplaats is geweest van den stam, die in de nabijheid zijn dooden begroef. Sporen van woonplaatsen of haardsteden vinden wij intusschen niet. Trouwens, de hoogten er om heen zijn ook met beuken beplant; wat misschien in der tijd aan die zijde van den weg mag ontdekt zijn, is verloren gegaan en onze opgravingen blijven aan den overkant, op de maagdelijke heide. Hier is de grond meer ontgonnen. Wij zien er dennenbosschen en op korten afstand een paar schuren en schaapskooien van Delen.
Een wandeling naar dat gehucht en naar de daarachter gelegen heuvelen mag niet worden verzuimd, nu wij zoo in de nabijheid zijn en er niet licht weêr zullen komen. Er zijn schilderachtige punten in den omtrek, nauwelijks aan een’ enkele in den lande bekend, want wie komt in het afgelegen gehucht, waar thans geen groote weg doorloopt en waarvan zelfs de naam door menigeen nooit werd gehoord! Of ’t ook de moeite van een opzettelijk bezoek zou loonen, is twijfelachtig.

Tot zover het relaas van de heer Craandijk. De gevonden Deelense urnen zijn terechtgekomen in het museum van Leiden waar ze ter bezichtiging werden tentoongesteld.

Hoewel er in de buurt van Deelen urnen in grafheuvels zijn gevonden ligt het zwaartepunt van de grafheuvelvondsten toch meer in zuidwestelijke richting, in de buurt van het landgoed Warnsborn en nog zuidelijker in de richting van wolfheze. Op deze plaats ligt een erosiegeul tussen de stuwwallen en de bewoners maakten optimaal gebruik van de aanwezige hulpmiddelen zoals delfstoffen, flora, fauna en waterreserves die door de afwisselende bodemstructuur was ontstaan. De variatie in landschappelijke factoren, de milieudifferentiatie, trok bewoners aan die zich vestigden in het gebied waar deze milieudifferentiatie optimaal was. Daarbij werd de keuze van de nederzettingslocatie bepaald door de verschillende transportafstanden en transportfrequenties. Op de eerste plaats een ligging dicht bij (of tussen) de akkers met water op korte afstand en in tweede instantie zo dicht mogelijk bij de stuwwallen (Houkes, 1996).

Onderhoud

Het Geldersch Landschap houdt zich onder andere ook bezig met het in goede staat houden van grafheuvels. Van de vijfentwintig grafheuvels die zij heeft bewerkt liggen er niet minder dan dertien op het landgoed Warnsborn bij Arnhem. Onder leiding van een archeoloog zijn alle heuvels zorgvuldig onder handen genomen. Omdat bij storm omwaaiende bomen veel schade kunnen aanrichten zijn alle bomen die op de heuvels groeiden, geveld.
De stronken zijn uiteraard niet verwijderd omdat dit ook slecht zou uitpakken voor het grafmonument. Om schade aan eventueel ernaast gelegen vlakgraven te voorkomen zijn ook de bomen rondom gekapt. Ook zijn wandelpaden omgelegd; jarenlange betreding en bosbouwwerkzaamheden hadden soms wel een sleuf van een meter diepte in de heuvel geslepen. De sleuf is uiteraard dichtgemaakt evenals alle konijnenholen. Tenslotte zijn de heuvels met grasplaggen bedekt om wegspoelen van het opgebrachte zand te voorkomen. Door al deze maatregelen zijn de heuvels weer prachtig zichtbaar in het bos (Keunen, 2002).

Waardering

Ouderdom:
De vindplaats van de urnen bij ‘het oog’ aan de Hooilaan was in de 19e eeuw, maar de klokbekers zelf lagen er al eeuwen voor het begin van de jaartelling (legenda: 2).
Samenhang:
De overledenen van de vroegere bewoners werden begraven op verhogingen in het veld. Ook hier zijn de urnen gevonden op een hoger punt in het geaccidenteerde terrein. Hierdoor heeft de plaats een sterke binding met de geografische gesteldheid (legenda: 2).
Het urnenveld is een op zichzelf staand geheel wat geen binding heeft met andere objecten in de omgeving (legenda: 0).
Zeldzaamheid:
Binnen het onderzoeksgebied zijn geen andere grafheuvels te vinden maar in de directe omgeving zijn zij wel aanwezig (legenda: 1).
Anders is dit met vindplaatsen in Nederland. In bepaalde gebieden in Nederland zijn er nog grafheuvels aanwezig en deze zijn hierdoor dus niet bepaald zeldzaam. Ook zijn de vindplaatsen meestal in betere staat (legenda: 0).
Kenmerkendheid:
Voor het onderzoeksgebied is de klokbekervindplaats betrekkelijk zeldzaam en van historische waarde. Toch is het object niet echt kenmerkend voor de omgeving. De vindplaatsen zijn niet groot, vallen niet op en zijn daardoor geen geografische uitingsvorm van een belangrijke landschapsvormende ontwikkeling. Het object onderscheidt zich hierdoor niet ten opzichte van de omgeving (legenda: 1).
Gaafheid:
In de loop der jaren zijn er verschillende pogingen gedaan om de urnen boven de grond te krijgen. Dit werd soms met beleid gedaan maar vaak ook in het wilde weg. Hierdoor werden er vele urnen beschadigd en is het de vraag of er nog klokbekers aanwezig zijn. Van de grafheuvel is niet veel meer over en de gaafheid wordt daarom gewaardeerd met een 0.

Schaarsbergen

In de Saale ijstijd die ongeveer 200.000 jaar geleden begon, breidde het landijs zich uit en werden de stuwwallen van oost Veluwe gevormd. De stuwwallen bestaan voor een groot gedeelte uit zand en grind en toen de gletsjers smolten stroomde het smeltwater over lage plekken in de stuwwallen. Hierbij werden grote hoeveelheden zand en grind uitgeschuurd die tussen de stuwwallen werden afgezet. Zo ontstond in het zuidelijke deel van het Veluwemassief een zogenaamde ‘sandr’ vlakte. Na de Saale ijstijd volgde de Weichsel ijstijd (70.000 jaar geleden) die relatief warm was en waardoor het gebied droog werd. De wind had in die periode vrij spel door het ontbreken van vegetatie en er ontstonden zandduinen die zo’n vijf meter hoog konden worden. De Schaarsbergen is zo’n zandduin en vormt nu een rug met een lengte van drie kilometer (fig.50) (zie ook hoofdstuk 3).

Fig. 50 De Schaarsbergen op de militaire kaart uit 1843, Bron: Militaire kaart 1843. Bibliotheek Arnhem.

De naam Schaarsbergen stamt hoogstwaarschijnlijk af van het 13e eeuwse midden Nederlandse woord met de betekenis ‘aandeel in de marke’, deel van de gemene velden. Kenmerkend voor een marke was het bestuur van gemeenschappelijke gronden, ook wel aangeduid als de ‘schaarsgronden’ (Vossebeld, 1997).
De schapenteelt in de 17e en 18e eeuw zorgde ervoor dat het bos in het gebied geen kans kreeg en dat de heide in stand bleef. In de 19e eeuw veranderde dit. Men wilde de gronden ontginnen om er akkers en bossen op aan te leggen. Vermogende grootgrondbezitters stichtten buitenplaatsen en lieten ontginningsboerderijen bouwen. De grootgrondbezitters baron Brantsen van de Zyp en de heren De Bruijn hadden een groot deel van de grond waar nu het dorp Schaarsbergen ligt, in hun bezit. Zij gingen daar grootschalige ontginningen toepassen.
De werkzaamheden in het bos en op de akkers gaven vele mensen werk die kwamen te wonen in woningen en boerderijen. Wegen werden aangelegd en langzaam ontstond er een ontginningsdorp. Met geldelijke steun van onder andere de Brantsens, bij wie zeker het halve dorp in dienst was, verrezen er een kerk met pastorie en een School met de Bijbel waarin op dit moment een oorlogsmuseum is gehuisvest.
Op een deel van het vroegere landgoed is nu op initiatief van de gemeente Arnhem een demonstratiebos ontwikkeld. Het bos dient om bezoekers bekend te maken met de verschillende manieren van bosbeheer die er bestaan en om tegelijkertijd te laten zien welke resultaten hiermee behaald kunnen worden.
Het vroegere zandduin Schaarsbergen is momenteel in gebruik als bosareaal dat midden op een akker is gelegen terwijl op het oostelijke gedeelte een stuk veteranenbos is aangelegd.

Waardering
Ouderdom:
De zandduinen waaruit de Schaarsbergen ontstonden vonden hun oorsprong in de periode van de weichsel ijstijd zo’n 70.000 jaar geleden. In de legenda wordt de ouderdom daarom aangegeven met het cijfer 2.
Samenhang:
De Schaarsbergen vormt een onderdeel van de fysisch geografische gesteldheid en de samenhang hiermee is dus groot (legenda: 2).
Voor wat betreft de samenhang met andere objecten is deze wel aanwezig. Het dorp Schaarsbergen ontleent haar naam aan de zandduinen en in dit geval is er dus sprake van enige relatie en dus ook een samenhang tussen verschillende objecten (legenda: 1).
Zeldzaamheid:
Het onderzoeksgebied bestaat voor het grootste gedeelte uit stuifzandgebieden met zandduinen. De zandduinen waaruit de Schaarsbergen zijn ontstaan stammen echter uit een periode van 70.000 jaar geleden terwijl de zandduinen in de rest van het gebied veel jonger zijn. Toch komen er wel meer duinen met dezelfde oorsprong voor in de directe omgeving en daarom is de Schaarsbergen niet echt zeldzaam (legenda: 0).
Ook in andere delen van Nederland komen dit soort zandduinen voor en dus is de zeldzaamheid binnen Nederland ook niet groot (legenda: 0).
Kenmerkendheid:
De Schaarsbergen hebben door de eeuwen heen altijd een landschapsbepalende functie gehad. Na de ontginningen is dit veel minder geworden en tegenwoordig vallen de heuvels praktisch niet meer op. Kenmerkend voor het gebied zijn ze niet meer en erbuiten liggen meer van dit soort objecten en ze zijn daarom niet echt specifiek voor de omgeving meer (legenda: 1).
Gaafheid:
Omdat het gebied van de Schaarsbergen door de eeuwen heen nogal perifeer heeft gelegen en weinig bewoning heeft gekend zijn er geen grootschalige veranderingen doorgevoerd zoals in de rest van Nederland. Dit veranderde met de komst van het vliegveld in de oorlog en de periode na de oorlog waardoor er een aanslag werd gepleegd op het landschap. Hierdoor is het object wel aangetast maar nog steeds goed herkenbaar als een glooiing in het landschap (legenda: 1).

De Kop van Deelen

Op de kaart van Christiaan Sgrooten uit 1573 staat Deelen afgebeeld als een versterkte boerderij (fig.10). De grootte hiervan is niet exact na te gaan maar hij gebruikte hetzelfde figuur voor ook nu nog bestaande grotere boerderijen. Hoogstwaarschijnlijk is er al veel eerder bewoning geweest op deze plek. In 1877 werden er enkele Halstatt urnen gevonden die uit de zesde eeuw voor Christus dateren. De bewoning was hier ontstaan doordat er een enkel sprengetje water aan de oppervlakte bracht, water dat voor de prehistorische bevolking een van de bestaansvoorwaarden was. De naam Deelen komt van ‘deel’ hetwelk stuk grond, erf of plaats betekent. Beschreven werd Deelen voor het eerst in het oudste Gelderse leenregister van 1326. Deelen bestond uit twee wildforstersgoederen. Dit waren goederen waarvan de bewoners de plicht hadden om ten behoeve van de graaf of hertog steeds een kar en paard gereed te houden voor de jacht en hem daarmede ter jacht te begeleiden. Dit gaf aan de bewoners een zekere onderscheiding ten opzichte van de overige plattelandsbevolking. De wildvorsters waren namelijk vrijgesteld van dezelfde belastingen als de adel en steden (Stam, 1955).

Fig. 51 Deelen in 1629. Bron: Nicolaes van Geelkercken. Bibliotheek Arnhem.

Op de kaart van het Arnhemse, Roosendaalse en het Deelense Velt van Nicolaes van Geelkercken uit 1629 wordt Deelen afgebeeld in de vorm van een Havezathe met zes huizen (fig.51). Ook is er te zien dat vele wegen uit verschillende richtingen in Deelen samenkomen. Een eeuw later, op een kaart van Isaac Tirion uit 1741 (een paar bladzijden verder), staat geschreven ‘’t Huis te Deelen nu een herberg’, wat aangeeft dat er vroeger een adellijk huis geweest moet zijn want een gewone boerderij of woonhuis werd zeker niet ‘Het Huis of Huize’ genoemd. Deze aanduiding werd bij voorkeur gebruikt voor een ‘havezathe’.
Deelen was niet de enige nederzetting op het zuidelijke deel van de Veluwe. In een halve cirkel lagen daar Mossel, Nieuw Reemst, Oud Reemst, Het Planken Wambuis, de Kemperberg, Terlet en de Imbosch. Deelen, Terlet en Oud Reemst behoren tot de oudste nederzettingen. Opvallend is dat verschillende van deze nederzettingen ook de functie hadden van herberg omdat zij aan een doorgaande weg lagen.

De nederzetting Deelen lag vroeger zeer geïsoleerd midden in een uitgestrekte heidevlakte. Het was verdeeld in een Groot- en een Klein Deelen waarbij Groot Deelen ongeveer 6 meter hoger lag als Klein Deelen (fig.52). Er woonden een aantal families die zich met landbouw bezighielden.

Fig. 52 Oud Deelen. Bron: http://www.gelderlandinbeeld.nl/index.php. 23 Augustus 2003.

De boeren waren destijds op de hoge zandgronden geheel aangewezen op de mest van hun schapen en moesten beschikken over uitgestrekte heidevelden waar hun schapen voldoende voedsel konden vinden. Hierdoor konden zelfs op een uitgestrekt terrein maar weinig boeren een bestaan opbouwen. Dit is dan ook de reden dat er marken ontstonden. Met de marken had men de mogelijkheid om de grond onderling te verdelen waardoor tegelijkertijd Deelen zich in de loop der eeuwen nauwelijks heeft kunnen uitbreiden en beperkt is gebleven tot een gering aantal boerderijen.
Oorspronkelijk waren de boeren van Deelen zelf eigenaar geweest van de grond maar toen zij rond 1800 verplicht werden te investeren in het tegengaan van zandverstuivingen en daarvoor geen geld hadden, waren zij gedwongen hun grond te verkopen. Van eigenaars waren zij pachters geworden. De grond werd door de heren van Roosendaal opgekocht (Haak, 1998).

Deelen tijdens de oorlog
Voor een vliegveld is het nodig dat er een weerkundig instituut, een verkeersleiding, ziekenbarakken, administratie en verbindingsdienst aanwezig zijn. De Kop van Deelen ligt een stuk hoger dan het vliegveld zodat men hier een goed totaaloverzicht had. Hierdoor was deze plaats zeer geschikt om de benodigde objecten te bouwen.
De gebouwen op de Kop van Deelen liggen ver uit elkaar. Op deze manier vielen de gebouwen minder op en was er een kleinere kans dat eventuele bommen van geallieerde vliegtuigen doel troffen.
Deelen werd aangesloten op een uitgebreid netwerk van rolbanen, zelfs de vroegere doorgaande weg van Arnhem naar Apeldoorn vormde er een deel van. Langs deze rolbanen werden veel vliegtuigopstelplaatsen, al dan niet voorzien van een hangar, neergezet (fig.53).

Fig. 53Kaart van de bebouwing op de Kop van Deelen met het rolbaansysteem als dikke zwarte lijnen. De weg van Arnhem naar Apeldoorn (nu Deelense weg) werd ook als rolbaan gebruikt. Langs de rolbanen zijn veel vliegtuigopstelplaatsen te zien. Bron: archief Nederlandse Heidemaatschappij. Kaart van het vliegveld Deelen, 1945. nr. 45001.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er door de geallieerden veel luchtfoto’s gemaakt van voor hen interessante gebieden, zo ook van het Vliegveld Deelen. Bij het bestuderen van deze foto’s na de oorlog bleken er op sommige daarvan zogenaamde cropmarks voor te komen (fig.55). Cropmarks ontstaan doordat vegetatie met verschillende snelheden groeit omdat er onder het bodemoppervlak zaken verborgen liggen zoals bijvoorbeeld stukken muur of greppels (fig.54). Hierdoor ondergaat de bodem een structuurverandering en groeien de planten op een andere wijze vanwege de bereikbaarheid van water of de veranderde grondsamenstelling. Er ontstaan dan vormen in het gewas die alleen vanuit een vliegtuig zijn waar te nemen en afhankelijk van het soort gewas over een lange of korte periode zichtbaar blijven. Bij deze cropmarks zou het moeten gaan om in vroeger tijden bewerkte gebieden.

Fig. 55 Op 12 september 1944 werd deze luchtfoto gemaakt van Deelen. Er zijn veel bomin-slagen op het vliegveld te zien. Op deze luchtfoto bemerkte men voor het eerst de cropmarks (te zien als ronde en halfronde figuren in het midden van de foto). Bron: Gelders Archief. WO II. Map nr. 20 coll. 114 II serie I 23 – 33.

Deelen nu
De door de Duitse bezetter geplaatste gebouwen op Deelen werden na de oorlog door Defensie overgenomen en weer voor militaire doeleinden gebruikt. Door de sobere en doelmatige instelling bij Defensie in de periode na de oorlog, konden er geen sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd waardoor ook hier de structuur van het geheel bewaard kon blijven.
Nadat de luchtmacht het vliegveld in 1997 de status van militair luchtvaartterrein had gegeven kwam de noodzaak van het in dienst houden van de gebouwen op de Kop van Deelen te vervallen en werden de gebouwen afgestoten. Aangezien de Kop van Deelen in de gemeente Ede ligt zag deze gemeente de kans schoon om de leegkomende gebouwen in te richten als onderzoekscentrum voor asielzoekers (OC). Het huurcontract werd getekend voor de duur van vijf jaar en zou aflopen in 2003.
In 2003 werd het contract met een half jaar verlengd tot 1 april 2004 om gelegenheid te geven het centrum zorgvuldig te ontruimen. Sinds 22 februari 2003 is op het terrein een gesloten campus ingericht waar zo’n 30 alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA’s) worden voorbereid op terugkeer naar het land van herkomst, dit omdat ze weinig kans maken op asiel. Omdat deze groep de nodige incidenten veroorzaakte heeft men besloten om de campus vanaf 1 januari 2004 te sluiten. Het OC zelf zal wilde haar deuren sluiten per 1 april 2004 maar men heeft twee maanden respijt gekregen. Wethouder Kremers van de gemeente Ede wil na deze datum het liefst de gebouwen laten slopen om het terrein terug te geven aan de natuur. De vraag is of dat mogelijk is, omdat voor een aantal panden de monumentenstatus is aangevraagd.

Fig. 56 De Kop van Deelen in 2003. Bron: Topografische kaart 2003. (met toestemming van Provincie Gelderland.

Inmiddels is Deelen een ‘slapend’ vliegveld geworden en zijn de militairen uit het oude dorp verdwenen. De gemeente Ede die verplicht was om asielzoekers op te nemen kon geen andere plaats vinden dan het vroegere dorp Deelen (fig.56, 57). Tegenwoordig huizen er zo’n 800 mensen in de gebouwen waarvan er 30 alleenstaande minderjarige asielzoekers zijn die de laatste tijd veel van zich laten horen.

Voor de gebouwen op de Kop van Deelen zijn inmiddels enkele gegadigden gevonden: als de asielzoekers verdwenen zijn wil een vereniging uit het westen van het land een deel van de gebouwen gebruiken om er een tehuis voor jongens in te vestigen. Een natuurvereniging toonde interesse in de andere gebouwen. De gemeente Ede zelf wil het terrein het liefst teruggeven aan de natuur.

Enkele voorbeelden van bouwwerken op de Kop van Deelen.

Fig. 57 Deelen vanuit de lucht gezien in 2003. Bron: Provincie Gelderland.

Fig. 58 Dit als boerderij vermomde gebouw werd door de brandweer van het vliegveld gebruikt. De grote deuren zijn er later in gemaakt. Tegenwoordig is het een kledingmagazijn voor de asielzoekers met op de eerste verdieping een bibliotheek.

Fig. 59 Zicht op de boerderij Kamphoeve vanuit noordelijke richting. Het reliëf in het landschap is duidelijk te zien. Links ligt Deelen, een stuk hoger dan de boerderij.

Fig. 60 Tegenover het brandweergebouw aan de andere kant van de Hoenderloseweg staat dit voormalige Flakscheinwerfergebaude. Na de oorlog werd het een kantine met een mooi uitzicht in zuidelijke richting over het gehele vliegveld. Nu huist er het museum Vliegbasis Deelen.

Fig. 61 De Duitsers bouwden dit pompgebouw om water op te pompen voor hun manschappen. Het gebouw wordt nu nog steeds voor dat doel gebruikt.

Fig. 62 Tussen de gebouwen op de Kop van Deelen vindt men nog een aantal bunkers die dienst deden als commandocentrum, telefooncentrale of opslag van goederen.

Fig. 63 Een vroeger legeringsgebouw met daarachter het ketelhuis voor de verwarming die voorzien is van moderne schoorstenen. Bijna alle gebouwen hebben veranderingen ondergaan.

Fig. 64 De Kop van Deelen is zeer ruim opgezet. In de gebouwen huizen nu asielzoekers.

Fig. 65 Zelfs de Duitse hondenhokken waren splintervrije onderkomens.

Fig. 66 Dit gebouwtje deed dienst als garage. Onder de raampjes ligt de olie verversingskuil. Op de muur is nog het woord ‘Latrine’ te lezen.

Fig. 67 Dit voormalige meteorologiegebouw is aangepast aan de moderne tijd en heeft nu een particuliere gebruiker

Fig. 68 Het achterste gebouwtje diende als elektrisch schakelstation, het voorste waarschijnlijk als opslagplaats.

Fig. 69 Dit gebouw was de commandobunker dat in oorspronkelijke toestand gecamoufleerd was als een huis.

Fig. 70 Het voormalige Duitse Lazarett dat nu ook weer dienst doet als ziekenboeg maar nu voor de asielzoekers. Onder de ramen aan de voorzijde kan men nog de Duitse tekst lezen.

Fig. 71 Net buiten het asielzoekerscentrum ligt deze bunker die gebruikt werd voor opslag van proviand. De bunker was recentelijk in gebruik bij het Ministerie van Landbouw voor opslag van onder andere in beslag genomen grondstoffen voor extacy pillen.

Hoewel er op kaarten melding wordt gemaakt van ’t Huis te Deelen’ is er nooit enig bewijs gevonden waar het huis heeft gestaan. Een 18e eeuwse bron vermeldt nog: ‘adellijk Huis, waarnaar een zeer oud en adellijk geslacht de naam voert. Het wordt tegenwoordig als herberg gebruikt. De Hessenkarren pleisteren er gewoonlijk’. Theorieën om te ontdekken waar het Huis te Deelen zou hebben gestaan zijn echter wel in omloop, zo ook die van de heer Meeuwsen welke hieronder staat beschreven.

Fig.1 Kaart van Isaac Tirion uit 1741.

Fig.2 De doorgetrokken wegen komen allen bij het Huis te Deelen uit.

Fig.3 De ligging van Huis te Deelen op de stafkaart.

Op de kaart van Isaac Tirion uit 1741 (fig.1) staat geschreven:’Het Huis te Deelen nu een herberg’. Het Huis te Deelen was een van de eigendommen van de Heeren van Deelen welke, volgens een verklaring van de Staten van Gelre, tot de oudste adel van de Veluwe behoorden. De laatste telg van dit geslacht was Evert van Deelen van Laar, hij was burgemeester en later richter van Arnhem en de Veluwezoom.

Uit reconstructies van oude kaarten blijkt bijna zeker dat het Huis te Deelen gestaan moet hebben bij het voormalige kruispunt van de weg komende uit Rozendaal, de weg vanaf Biljoen die tegenwoordig nog als de Hooilaan bestaat en de weg uit Arnhem (dit is de Hoenderlose weg die vroeger zonder knik rechtdoor liep).

Ook een stuk van de Koningsweg die vanaf Doorwerth naar de Loenense bossen liep, sloot aan op het kruispunt. Verder liep er ook nog een weg in noordelijke richting(fig.2, 3).
Als men het kruispunt neemt waar deze wegen bij elkaar komen dan blijkt dit het punt te zijn wat ligt op ± 250 meter ten noorden van de Kamphoeve ongeveer ter hoogte van de bestaande bebouwing.
Mocht er ooit een Huis te Deelen hebben bestaan, dan zou dit de meest logische plek zijn geweest om te bouwen (Meeuwsen).

Fig.4 De plaats waar volgens de heer Meeuwsen het Huis te Deelen zou hebben gestaan.

Op de plaats waar volgens de heer Meeuwsen het Huis te Deelen kan hebben gestaan ligt zo’n 300 meter ten noorden van de Kamphoeve en is particulier terrein. De eigenaar bouwt er praktisch geheel zelfstandig een kolossale villa (fig.4) die voor een groot gedeelte onder maaiveldhoogte ligt. Men heeft hier naar het zuiden een wijds uitzicht over het vliegveld in de richting Arnhem.

Waardering
Ouderdom:
Op de kaart van Christiaan Sgrooten uit 1573 staat Deelen al aangegeven waardoor de ouderdom minimaal vier eeuwen is (legenda: 2).
Samenhang:
Zoals veel andere plaatsen is ook Deelen ontstaan bij een kruispunt van wegen. Deze wegen hadden alles te maken met de fysische gesteldheid van het terrein en de ligging werd dan ook hierdoor bepaald. Ook het Huis te Deelen zou strategisch hebben gelegen bij dit kruispunt en heeft dus ook een samenhang met de fysische gesteldheid (legenda: 2).
Deelen bestaat tegenwoordig uit verschillende objecten zoals boerderijen en overblijfselen van het door de Duitsers gebouwde vliegveld. Deze gebouwen moeten in samenhang worden gezien met de objecten die verder in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Vanuit dit standpunt gezien vertoont Deelen zeer zeker een bepaalde samenhang met andere objecten (legenda: 2).
Zeldzaamheid:
Deelen in zijn oorspronkelijke vorm is in deze omgeving niet bepaald zeldzaam. Het zeldzame komt voort uit de overblijfselen van gebouwen uit de Tweede Wereldoorlog die alleen in het onderzoeksgebied en nergens anders voorkomen. De aanwezigheid van een banenstelsel in A-vorm is van een ruimtelijk functionele en militair-historische waarde (legenda 2).
Binnen Nederland is geen plaats te vinden waar nog zoveel gebouwen uit de oorlogsperiode en in een behoorlijk goede staat, te vinden zijn. Soms zijn er nog wel losse objecten te vinden maar het geheel zoals hier aanwezig is toch van een grote zeldzaamheid (legenda: 2).
Kenmerkendheid:
Gebouwencomplexen van Duitse vliegvelden die samen een dorp vormen komen buiten het onderzoeksgebied nergens in Nederland voor. Er bevinden zich in Deelen allerlei soorten gebouwen, van bunkers tot een lazaret welke een indrukwekkend tijdsbeeld vormen en die deel uitmaken van de geschiedenis. Door de vele gebouwen en objecten is de Kop van Deelen een landschapsbepalend cultuurelement in de omgeving. Ook van de oude bebouwing is nog een enkele boerderij over zodat hier een vermenging van verschillende ontwikkelingen is ontstaan (legenda: 2).
Gaafheid:
De oorspronkelijke bebouwing van Deelen zijn de boerderijen en deze zijn door de jaren heen niet ontsnapt aan afbraak en verandering. De militaire complexen daarentegen zijn altijd in gebruik gebleven en daardoor nog aardig compleet. Wel zijn er moderniseringen aangebracht waardoor de gebouwen niet meer voldoen aan de authenticiteit. Vergeleken met de andere legeringscomplexen zoals Groot en Klein Heidekamp is het complex minder gaaf (legenda: 1).

Terlet en de Galgenberg

Fig. 72 Terlet en de Galgenberg omstreeks 1570. Het kruis is een herinnering aan het overlijden van hertog Reinald IV van Gelre op deze plaats. Bron: Christiaan Sgrooten (Bibliotheek Arnhem).

Volgens de kaart van Christiaan Sgrooten bevond de hoeve ‘Ter Leth’ zich op ongeveer anderhalf uur lopen ten noorden van Rozendaal (fig.72). In de wijde omgeving niets anders dan zand, heide en verspreid staand struikgewas. ‘Ter Leth’ lag aan de postweg naar Deventer, eigenlijk niet meer dan een karrenspoor. De weg vanuit Arnhem in het zuiden, voer langzaam heuvelopwaarts, tussen de Galgenberg en de Terletsche berg door. De dichtstbijzijnde buren woonden op Deelen, een half uur lopen in westelijke richting.
De oudst bekende vermelding van Terlet dateert van 1423 toen aldaar op 23 juni hertog Reinald IV van Gelre overleed terwijl hij op reis was van Hattem naar Rozendaal. Ter herinnering aan dit sterfgeval werd op de plaats waar de hertog overleed een kruis opgericht, dat daar in het midden van de 16e eeuw nog stond.
In hetzelfde jaar vinden we in de boeken van de rentmeester van Gelre in ’t Kwartier van Arnhem en Veluwe als ontvangsten: ‘Van Willem van Hasselt tot Let 3 malder en 1 schepel rogge en een gouden rijder’. Rogge was in die dagen blijkbaar ook al het voornaamste akkerbouwproduct op de schrale Veluwe.
De Gelderse Leenregisters maken zijdelings ook melding van Terlet als bij de belening van een wildvorstersgoed te Deelen wordt vermeld dat dit liggende is naar de kant van ‘der Lith’. Aldus schreef men Terlet in het jaar 1524.
Terlet ligt aan de Apeldoornseweg daar waar enkele wegen zich er van aftakten, rechts naar Koldenhove en Eerbeek, links naar Deelen en Otterlo. De Apeldoornseweg heette tot in de 19e eeuw nog Deventerweg aangezien de aftakking bij de Woeste Hoeve over Loenen naar Deventer de hoofdweg vormde. Een dergelijk kruispunt van wegen was bij uitstek geschikt als rustplaats, dus een herberg. In verband daarmee is het dan ook niet verwonderlijk dat we onder de Terlets herbergiers en brouwers aantreffen.
De naamsoorsprong van Terlet heeft al vele gissingen in het leven geroepen.
De ‘Nomina Geografica Neerlandica deel III, leidt Terlet af van Leede, Lede of Leide dat van het Angelsaksische Lad of lade komt en in het Engels nog voortleeft als ‘kanaal’, in het hoog-Duits ‘Leita’ genoemd en synoniem met het Nederlands ‘Leede’ wat gegraven waterloop betekent. Wie het terrein bij Terlet kent, weet dat er van een gegraven kanaal of waterloop geen sprake kan zijn dus deze verklaring lijkt hier onwaarschijnlijk.
Als we het voorvoegsel ‘Ter’ buiten beschouwing laten, zijnde een plaatsbepaling, dus ‘op de’, dan geeft de Sauerlandführer van Kneebusch een betere verklaring. Hierin staat dat het riviertje de Litte of Lettfe een samenstelling vormt met het woord ‘lett’ dat berghelling betekent. Mogelijk is het van Keltische afkomst, de Kelten schijnen veel namen te hebben gegeven aan rivieren, heuvels of andere markante landschapsvormen. De verklaring ‘op de helling’ zou dan heel goed passen op de situatie bij Terlet dat gelegen is op een langgerekte, naar de richting Arnhem afdalende helling (Arnhems Dagblad, 1955).

Fig. 73 Kaart van Terlet in 1722. Beneden ligt Klein Terlet en daarboven Groot Terlet met akkers. Bron: Caert van Terlet, getekend door landmeter Elshof. Kaartboek van Rozendaal. (Bibliotheek Arnhem).

Ten oosten en westen van de weg van Arnhem naar Apeldoorn lagen de erven Klein- en Groot Terlet die beiden deel uitmaakten van het wildvorstersgoed. In de middeleeuwen beschouwde de graaf van Gelre zich als eigenaar van de Veluwe en verspreid in zijn gebied lagen een twaalftal van zulke goederen. Wildvorsters waren edelen in de functie van jachtopziener die naast toezicht op de jacht ook verplicht waren de vorst tijdens zijn jachtpartijen met een kar te volgen en onder andere het wild te vervoeren.
Terlet werd regelmatig genoemd in de limietbeschrijving van de Heerlijkheid Rosendael. In 1724 begon die beschrijving bij ‘den paal van het erve Klein Terlet’. De grenspaal was het merkteken van de gemeenten Rozendaal, Arnhem en Ede. Klein Terlet viel lange tijd onder de gemeente Ede en Groot Terlet onder Rozendaal. De bewoners van Klein Terlet moesten dus voor gemeentezaken naar Ede, terwijl hun buren naar Rozendaal gingen.
Terlet was een klein akkerbouwcomplex op een enk, een zogenaamd ‘esgehucht’ (fig.73). Kenmerkend voor zo’n gehucht is vooral de schaapskooi aan de rand van een akker en heideveld. De in de potstal verzamelde mest kon dan makkelijk over de akkers worden verspreid. De boeren waren in hoge mate zelfverzorgend en leefden van de producten van hun land. Soms kon een deel van de oogst worden verkocht, vaak ook niet. Vernieuwingen bleven door de armoede vaak uit. Deze primitieve situatie bleef meestal in de kleinere gehuchten langer bestaan dan in de welvarende dorpen. Door moderniseringen in de landbouw (met name het gebruik van kunstmest en in samenhang daarmee het verdwijnen van de schapenhouderij) bleef er nauwelijks een bestaansmogelijkheid over voor de bewoners van Terlet.

Fig. 74 De Galgenberg (bij signaal) in de omgeving van Terlet 1865-1912 Bron: Topografische kaart 1912 (met toestemming Provincie Gelderland).

Door de ligging langs de Hessenwegen fungeerde Groot Terlet onder andere als herberg voor passanten, voor welk doel de woonkeuken als gelagkamer was ingericht.
Van de twee boerderijen wordt Klein Terlet wel de oudste genoemd maar het enige argument daarvoor is de waterput op het erf.
Bij de afsplitsing van de Ringallee met de weg naar Apeldoorn bevond zich een tol op het Rozendaalse grondgebied. Deze tol heeft zo’n 45 jaar dienst gedaan. Nog altijd wordt de plaats gemarkeerd door een groepje oude beukenbomen.
De rond de Terletse boerderijen liggende akkers en weiden werden reeds vroeg omringd door wildwallen om met name het grofwild (herten en varkens) te keren. Ook werd de westelijke wal gebruikt om het stuifzand te weren (fig.74). De met inlandse eiken beplante wallen zijn ook thans nog duidelijk als zodanig te herkennen. Hun oude functie wordt in onze tijd overgenomen door moderne wildrasters. Vroeger graasden de koeien op de heide waar water in de zogenaamde ‘koegaten’ te vinden was. Ze liepen daar zonder begeleiding naartoe en weer terug. Van de schapen werd de vacht voor het scheren gewassen in de Deelense was.
Aangezien de schapen hiervoor over de gronden van particuliere eigenaren moesten en deze het recht van schaapsdrift lieten gelden werd het de schapenhouders onmogelijk gemaakt nog van deze mogelijkheid gebruik te maken en ging men naar kasteel Biljoen of het Hessengat, wat dichterbij gelegen was (Baltjes, 2000). De laatste schaapskudde verdween in 1948.
Het drinkwater vormde een groot probleem. De put bij Klein Terlet verzandde regelmatig door klapzand. In het verleden is diverse keren geprobeerd de put te verbeteren. Er werd zelfs een nieuwe gegraven bij Groot Terlet maar de putmaker kwam om toen de putwanden instortten. De problemen met de watervoorziening bleven nog voortduren tot enkele jaren na de laatste wereldoorlog. Toen op het zweefvliegterrein een put van 80 meter diepte goed bleef, was het probleem eindelijk opgelost.

Fig. 75 Omgeving Terlet 1930. Bron: Topografische kaart 1932 (met toestemming Provincie Gelderland).

In 1953 zijn de gemeentegrenzen nabij Terlet gewijzigd. Rozendaal raakte daarbij enkele en Ede enkele tientallen hectaren kwijt. De reden voor deze grenswijziging was de behoefte aan een eenvoudiger beheer van de Apeldoornseweg. Deze weg liep voordien over een korte afstand achtereenvolgens door de gemeenten Arnhem, Rozendaal, Ede en Apeldoorn (fig.75).
In 1974 werden er pogingen ondernomen om Groot Terlet als rijksmonument aan te merken. Argumenten hiervoor waren de prachtige ligging, de Saksische bouwstijl en de historische waarde. Het plan was om de boerderij te herstellen als herberg en een kudde schapen in de gerestaureerde schaapskooi onder te brengen. Maar de plannen van Rijkswaterstaat in 1979 om de Apeldoornse weg tot vierbaans autoweg te reconstrueren zullen het verzoek in de weg hebben gestaan. De belangstelling van Natuurmonumenten was gering, mede door het ontbreken van financiële middelen. In 1983 werden boerderij en bijgebouwen afgebroken Matser, 1997).

Nationaal zweefvliegcentrum Terlet

Na het verdrag van Versailles in 1919 had Duitsland zich moeten onthouden van het verder ontwikkelingen van de militaire luchtvaart met gemotoriseerde vliegtuigen. Wel was er in het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog de mogelijkheid om te experimenteren met zweefvliegtuigen.
De zweefvliegsport waaide vanuit Duitsland over naar Nederland en in 1932 werd door een aantal enthousiaste zweefvliegpioniers de Arnhemse Zweefvliegclub opgericht. In een eenvoudig toestel werd er vanaf de Galgenberg gevlogen. Het toestel werd bij boer Van Veelen in de schaapskooi gestald. Een paard sleepte het vliegtuig en werd ook gebruikt om de gummikabel te spannen (fig.76). Aanvankelijk beperkte het vliegen zich tot het uitvoeren van

Fig. 76 Het eerste zweefvliegtuig (de piloot zat in de open lucht). Bron: Tiemens

‘luchtsprongetjes’. Het primitieve vliegtuigje werd door enkele mannen stevig in bedwang gehouden terwijl de gummikabel die aan het toestel bevestigd was, uitgetrokken werd. Als de spanning van de kabel die in een V-vorm voor het vliegtuig gespannen was, groot genoeg was, liet men het toestel los. Het werd als het ware met een katapult afgeschoten. Het kon korte afstanden vliegen en een hoogte van ongeveer 35 meter bereiken. In 1933 begon men met de bouw van een hangar. Door de ingebruikname van een lier en de aanschaf van een vliegtuig dat gebruik maakte van thermiek, was men in staat hoger en verder te vliegen. Het bleek dat het heuvelachtige heidegebied rondom Terlet als geen andere streek in Nederland een goede thermiek had. Mede daardoor nam de zweefvliegsport er een ‘hoge vlucht’.
In de periode van de Tweede Wereldoorlog werd op het terrein rond de Galgenberg door de Luftwaffe een geheim radiopeilstation gebouwd, genaamd ‘Teerose’, waardoor het voor de club niet mogelijk was om te vliegen.
Na de oorlog werd het terrein ontruimd en weer als zweefvliegveld in gebruik genomen. In 1950 werd Terlet het Nationale Zweefvliegcentrum van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor de Luchtvaart (Matser, 1979).

De Galgenberg
Welhaast iedere gemeente op de Veluwe heeft zijn Galgenberg en op de oude kaarten ziet men ze dan ook vaak getekend. In vroeger tijden had iedere stad zijn halsrecht, het recht om de doodstraf uit te oefenen en vaak strekte de zogenaamde stadsvrijheid zich nog vrij ver buiten de muren van de eigenlijke stad uit. De gronden behoorden dan bij het rechtsgebied van de stad. Behalve de steden waren er de richter-‘ambten’, dus de plattelandsgerichten en verder de verschillende heerlijkheden. Vele van deze heerlijkheden bezaten namelijk ook het halsrecht. De betrokken heer die zelfstandig zijn heerlijkheid bestuurde, een lid van het adellijke geslacht dus, had dan het recht de in zijn domein voorgekomen misdaden te straffen. Zo’n heerlijkheid noemde men een ‘hoge’ heerlijkheid. De heren die dit recht niet bezaten hadden een ‘lage’ heerlijkheid (Stam, 1955).
De galg van de hoge heerlijkheid Rozendaal stond op de Galgenberg bij Terlet en is vermeld op de kaart van Christiaan Sgrooten uit 1570 (zie hoofdstuk 3, fig. 4).
Het opknopen aan de galg gold als een onterende straf die voornamelijk op dieven werd toegepast. De doodstraf aan de galg was behalve op gekwalificeerde soorten van diefstal, zoals diefstal van paarden, vee en stroperij, veelal gesteld op diefstal bij herhaling of op diefstal van goederen boven een bepaalde waarde.

Fig. 77 Type galg gebruikt op de Galgenberg. Bron: Aalbers

De opknoping aan de galg was evenals de onthoofding een straf die in beginsel alleen op mannen werd toegepast.
In beginsel werden de galgen op twee manieren gebruikt. Een executiegalg in de stad, waarmee de delinquent ter door werd gebracht en een tentoonstellingsgalg buiten de stad, waar het lijk nadien werd opgehangen ‘tot afschrick ende exempel’ (fig.77). Meestal was hiervoor een speciale plaats gereserveerd, het galgenveld of de galgenberg.
De galg kwam in twee typen voor. De eenvoudigste was gemaakt van twee palen in de grond met daarbovenop een dwarsbalk waaraan eventueel meerdere lijken tegelijk konden hangen. Een ander type bestond uit drie houten palen in een driehoek geplaatst en van boven verbonden door drie dwarsbalken. Volgens de kaart van Christiaan Sgrooten (fig.10) stond het eerste model op de Galgenberg.
De lijken bleven aan de galg hangen tot ze volledig waren kaalgevreten door kraaien, roeken en vooral raven die vroeger in Nederland veel voorkwamen en die bekend stonden als notoire aaseters.
De strafrechtpleging rond de galg ademde veel symboliek uit oude tijden. In de voorchristelijke tijd werden veroordeelden aan Wodan, de god van de winden geofferd en als spijs geschonken. Dit verklaarde het latere gebruik om lijken te laten hangen in weer en wind tot prooi van de vogels, met name de raven als de boden van Wodan. Ook in het gebruik om juist op een hoog punt in het terrein de galg te plaatsen wordt door sommigen wel een heidens offerritueel gezien: de galgenberg als offerplaats (Aalbers, 1998).

Fig. 78 Omgeving Terlet 2003. Bron: Topografische kaart (met toestemming Provincie Gelderland).

Eind 1942 waren de Duitsers op de Galgenberg bij Terlet begonnen met de bouw van een zogenaamde Y-stelling (Teerose I), één van de talrijke speciale zend- en peilstations voor de nachtjageracties die vanuit de bunker aan de Koningsweg werden geleid.

Fig. 79 Peiltoren Anton tussen de bomen zonder wortels. Bron: Tiemens

Een netwerk van radiopeilstations die de Duitsers Y-Stellungen of Jägerleitstellungen noemden, moest ervoor instaan, dat de bevelvoerder op de grond doorlopend op de hoogte was van de juiste positie van zijn jagers (zie Diogenes).
Het punt lag op 104 meter boven N.A.P. en daardoor uitermate geschikt omdat hierdoor de zenders optimaal benut konden worden.
Verspreidt over het plateau van de Galgenberg werden vijf houten torens opgesteld. De torens die zo’n twaalf meter hoog waren, boden onderdak aan de apparatuur en het bedienend personeel dat nodig was om de positie van de jagers vast te stellen. Eén toren (de toren ‘Anton’) verrees dicht bij het evaluatiegebouw aan de rand van de Galgenberg. De andere torens waren Bertha, Cäsar, Dora en Emil (fig.79).
Behalve de barakken die tot het verblijf van het personeel van Teerose dienden, lagen ook het evaluatiegebouw en de toren Anton lelijk in het zicht vanaf de Apeldoornseweg. Het was ondoenlijk de toren en het gebouw onder camouflagenetten te laten verdwijnen. Daarom werd een andere oplossing gezocht en gevonden: in een naburig dennenbos zaagden de Duitsers een fiks aantal bomen om. Deze bomen werden naar de Galgenberg gebracht en daar weer zodanig ‘aangeplant’, dat zowel het evaluatiegebouw als Anton er enigermate achter schuilgingen. Het was wel wat minder eenvoudig te zien wat er precies op de Galgenberg stond maar daar was dan ook alles mee gezegd. Luchtfoto’s door de Royal Air Force van Teerose gemaakt, tonen aan dat de gebruikte camouflagemiddelen in het geheel geen effect sorteerden tegen luchtwaarnemingen. Bovendien stond het kunstmatige bos er spoedig zeer armetierig bij doordat de dennen na korte tijd hun naalden lieten vallen.
Alhoewel de camouflage minder was functioneerde Teerose I zeer goed. In een half jaar tijd werden mede door toedoen van Teerose zo’n honderdvijftig toestellen uit de lucht gehaald. Dit kwam omdat Teerose centraal in de route lag die door de Engelsen druk werd bevlogen: de route naar het Ruhrgebied en terug.
Het aantal jagers dat voor het onderscheppen van de Engelse vliegtuigen nodig was nam dusdanig toe dat weldra de capaciteit van Teerose ontoereikend bleek te zijn. Proefondervindelijk was al vastgesteld dat de capaciteit niet ongelimiteerd kon worden vergroot. Wanneer er teveel zenders op een relatief klein oppervlak werden opgesteld, veroorzaakten de veldsterkten van deze zenders onvoorspelbare fouten bij het vaststellen van richting en afstand. Vergroting van Teerose moest dus niet worden gezocht in een uitbreiding van het aantal Y-torens, doch in het stichten van een nieuwe stelling die op enige afstand van de oude gelegen moest zijn.
Als locatie voor die tweelingstelling viel de keuze op het terrein rondom het hoogste punt van de Veluwe (109,9 meter boven NAP). Het lag nabij de Posbank, enkele kilometers ten noorden van Velp en een kilometer of vijf ten zuidoosten van Teerose. Deze stelling ging Teerose II heten. Verwacht zou mogen worden dat dit station een codenaam beginnend met een V zou krijgen gezien de ligging bij Velp maar de Duitsers braken voor één keer met deze regel omdat ze hiermee aan wilden tonen dat het operationeel gezien om één radiopeil- en navigatiestation ging. Teerose II kreeg ook vijf torens en de naamgeving van de torens ging volgens het alfabet verder waar men bij de torens van Teerose I was opgehouden, namelijk: Friedrich, Güstav, Heinrich, Ida en Konrad.
De bemensing van Teerose I en II bestond elk uit ruim 150 personen plus regelmatig een paar mensen extra voor opleidingsdoeleinden.
Na de Engelse luchtlandingen bij de Rijnbrug van Arnhem op 17 september 1944 werd het grootste deel van het personeel van Teerose I geëvacueerd naar Duitsland. De rest moest verdedigingsmaatregelen nemen voor een eventuele Engelse aanval. Op 24 september kwam er dan ook een aanval van geallieerde jachtbommenwerpers op Teerose I waarbij de schade zo groot was dat de Duitsers geen andere keus bleef dan de stelling te sluiten. Het nog aanwezige personeel ging voor een belangrijk deel over naar Teerose II (Tiemens, 1986).

Terlet en de Galgenberg na de Tweede Wereldoorlog
Bij de aanleg van de A50 is de boerderij Groot Terlet afgebroken. Waar de boerderij stond loopt thans de parallelweg en de plaats is nog terug te vinden aan de hand van twee lindebomen die in de berm tussen de A50 en de parallelweg staan (fig.80). Ter bescherming van de woning werden in vroegere tijden drie lindebomen voor een woning geplaatst. Zodra er één van verloren zou gaan werd de bescherming van de woning tenietgedaan. Eén van de

Fig. 80 Op deze plek heeft de boerderijherberg Groot Terlet gestaan. Twee van de drie lindebomen zijn ervan overgebleven

drie bomen kwam aan zijn eind tijdens een hevig onweer boven Terlet waarna schijnbaar de twee andere bomen geen voldoende bescherming meer konden bieden.
Tot in de jaren ’80 bleven de nazaten van de families de landbouwgronden bewerken maar na die tijd paste deze voortzetting niet meer in het beleid van de huidige eigenaar, de Vereniging Natuurmonumenten.

Fig. 81 Kijk op de Galgenberg vanuit het zuiden. Rechts liggen de Duitse verblijven. Deze verblijven liggen op de door solifluctie ( met water doordrenkte permafrostgrond) afgegleden rand van de Oostelijke Veluwestuwwal.

Fig. 82 Zicht vanaf de Galgenberg in zuidelijke richting. Links ligt de Oostelijke Veluwestuwwal en in het zuiden de stuwwal van Arnhem. Men kijkt over een behoorlijk vlak terrein dat in de ijstijd vrij van ijs is gebleven. Het paaltje rechts is na de oorlog geplaatst en is onderdeel van het rijksdriehoekmeetnet.

Fig. 83 Boven op de Galgenberg waar vroeger een galg stond vindt men nu een markeerpunt van het Rijksdriehoekmeetnet (links) en een stukje fundering van Teerose I (rechts).Op de achtergrond ligt een stuk asfalt dat voorheen in gebruik was bij een modelvliegclub. Nadat een model met een zweefvliegtuig in botsing was gekomen stopte men met het modelvliegen.

Na de oorlog werden de bouwwerken van Teerose I spoedig afgebroken want stenen en hout waren schaars in die dagen. In het zwaar gehavende Arnhem zat men te springen om bouwmaterialen. Alleen het administratiegebouw van de stelling bleef overeind. Dit werd onderdeel van het zweefvliegcentrum dat in 1950 op Terlet werd geopend (fig.82, 83). Het gebouw doet tot op de dag van vandaag dienst als kantoorgebouw annex beheerderswoning (fig.84).

In het kader van Veluwe 2010 wil men een kwaliteitsimpuls geven aan natuur, bos en landschap. Het zweefvliegveld Terlet ligt op een heideterrein van 400 hectaren en is eigendom van Staatsbosbeheer. Omdat het gebruik van het terrein nadelige gevolgen heeft voor de rust in en om het gebied zal beëindiging van het gebruik positief bijdragen aan de kwaliteit van de Zuid Veluwe. Middels kamervragen is een proces op gang gekomen om de mogelijkheden voor beëindiging van het gebruik in beeld te brengen. De staatssecretaris heeft de kamer meegedeeld dat sluiting van Terlet op dit moment niet mogelijk is vanwege contractuele verplichtingen tussen Staatsbosbeheer en de Stichting Nationaal Zweefvliegcentrum. Wel gaat men na of sluiting op termijn mogelijk is (Veluwe 2010).

Fig. 84 Het uit de Duitse tijd resterende gebouw op zweefvliegveld Terlet. Het gebouw wordt gebruikt als beheerderswoning annex kantoor.

Van Terlet als woonplaats is niet veel meer overgebleven. Buiten het vliegveld zijn er ten oosten van de A50 nog twee woningen te vinden (fig.85). Het gebied aan de oostzijde van de Apeldoornseweg behoort nu tot het nationaal park De Veluwezoom en is een natuurgebied (fig.78). Voor landbouw was er geen plaats meer en de boerderijen zijn nu woning geworden.

Fig. 85 De twee overgebleven woningen van het gehucht Terlet. De foto is genomen in oostelijke richting met de Apeldoornseweg in de rug.

Waardering Terlet
Ouderdom:
De oudst bekende vermelding van Terlet dateert uit 1423. Het was een pleisterplaats langs de weg van Arnhem naar Deventer (legenda: 2).
Samenhang:
Terlet lag aan een kruispunt van wegen en hier kon men foerageren. De wegen ontstonden door de fysisch geografische gesteldheid van het terrein waardoor er een historisch functionele verbondenheid ontstond van Terlet en zijn omgeving (legenda: 2).
Terlet staat nationaal en internationaal bekend om haar nationale zweefvliegcentrum en hierdoor vertoont het enige samenhang met andere objecten (legenda: 1).
Zeldzaamheid:
Als plaats heeft Terlet geen zeldzaamheidswaarde. Anders is dit als nationaal zweefvliegcentrum. Dit staat hoog aangeschreven in binnen en buitenland vanwege de goede vliegeigenschappen en voorzieningen. Het enige overgebleven object uit de Tweede Wereldoorlog is niet bijzonder zeldzaam (legenda: 1).
In Nederland als geheel komen er wel meer zweefvliegvelden voor hoewel daar minder goede vliegeigenschappen voorkomen als in Terlet (legenda: 0).
Kenmerkendheid:
Terlet onderscheidt zich door zijn zweefvliegcentrum en is daardoor zeer kenmerkend (legenda: 2).
Gaafheid:
Terlet als woonplaats van boeren bestaat niet meer. Met het verbreden van de A50 kwamen de boerderijen te vervallen. Als zweefvliegcentrum fungeert Terlet nog uitstekend en is nog in gave toestand (legenda: 2).

Waardering Galgenberg
Ouderdom:
De Galgenberg ontstond in de derde ijstijd door stuifzand en is 70.000 jaar oud (legenda: 2).
Samenhang:
Het ontstaan van de Galgenberg heeft te maken met de fysisch geografische gesteldheid van het terrein en de verwering door de jaren heen (legenda: 2).
Als restant van de ijstijd heeft de Galgenberg geen samenhang met andere objecten uit de omgeving, als terechtstellingsplek heeft het dit echter wel. De plek werd gekozen om reizigers met minder goede bedoelingen af te schrikken. Door middel hiervan lieten de gerechtshoven zien dat er met hen niet te spotten viel en hierdoor heeft de Galgenberg directe banden met zijn omgeving (legenda: 2).
Zeldzaamheid:
In de omgeving van Arnhem zijn er meerdere gerechtsplaatsen geweest maar de Galgenberg is nog de enige die is overgebleven (legenda: 2).
Binnen Nederland komen nog vele plaatsen voor die hebben gefungeerd als gerechtsplaats. De Galgenberg is hierdoor matig zeldzaam (legenda: 1).
Kenmerkendheid:
De Galgenberg en het gebied er omheen zijn zeer kenmerkend voor het onderzoeksgebied. Landschappelijk gezien vormt de Galgenberg een geografische uitingsvorm van een geomorfologische ontwikkeling en historisch gezien onderscheidt het zich van andere objecten door de juridische geschiedenis die er aan verbonden kan worden (legenda: 2).
Gaafheid:
De heuvel waarop de galg heeft gestaan is nog in zijn totale staat aanwezig. Wel lopen er weggetjes overheen en is er op de top een asfaltplaats van vijftig meter in het vierkant aangelegd wat afbreuk doet aan de gaafheid (legenda: 2).

Oud Reemst

Aan de linkerzijde van het onderzoeksgebied loopt de Harderwijkerweg pal langs de kampontginning Oud Reemst en het Reemsterveld. Vroeger kende deze weg een hoger (in de winter) en een lager (in de zomer) tracé (fig.86). Het geheel ligt op de Stuwwal van Oud Reemst.

Vanaf de 13e – 14e eeuw was het bezit van de uitgestrekte heidevelden, zandverstuivingen en de weinige bossen, verdeeld over vier partijen. Het noordelijke gedeelte was eigendom van de geërfden van de Aanstoot of Otterlo, het oostelijke deel van de geërfden van Deelen, het westelijke deel van de heer van Rosendael en het zuidoostelijke deel van de schepenen van Arnhem. De grenzen waren toentertijd nog niet nauwkeurig vastgelegd.

Fig. 86 Op deze kaart van Nicolaes Geelkercken uit 1629 komt Reemst voor met aan de linker en rechterzijde respectievelijk de lage en de hoge Harderwijkerweg. Bron: Kaart omgeving Deelen, Nicolaes van Geelkercken 1629. Bibliotheek Arnhem.

Samen met Mossel was Oud Reemst een van de oudste ontginningseilanden, bevolkt door boeren met eeuwenoude rechten op het gebruik van de woeste gronden. Deze plek, waarschijnlijk het kruispunt van handelswegen, werd een ontginning. Bewoners van Oud Reemst worden voor het eerst genoemd in 1526: Brant en Jacob van Reemst. In 1566 is er sprake van Teunis van Reemst die een eigen goed heeft. Er is dan sprake van twee erven: het westelijke en het oostelijke erf. Deze erven wisselen nogal eens van eigenaren en ook van pachter (Schut, 1997).
Hun rechten waren ouder dan de rechten van de Rosendaelse heren, die het landgoed in de 16e eeuw in bezit kregen en als tegenwicht Nieuw Reemst stichtten.
In 1629 maakte de landmeter Nicolaas van Geelkercken een kaart waarop Oud Reemst voorkomt. De perceelgrenzen zijn aangegeven met groene stippen die bomen of houtgewas voorstellen.
In de 18e eeuw nam de invloed van het geslacht Torck, de eigenaren van Rosendael, toe en werden de eigengeërfden van Mossel en Oud Reemst uitgekocht.
In het archief van het Huis Keppel bevinden zich enige stukken betreffende een walaanleg ‘op het Reemsterveld’. Uit een bericht van 29 januari 1773 (K 1616) blijkt dat baron Torck, Heer van Rosendaal, eigenaar van het Reemsterveld en oostelijk en westelijk Oud Reemst een wal wil laten ‘opwerpen en opsetten …….volgens uytbaking en bestecq’ waarmee het werk dus werd uitbesteed (Hoogendoorn, 1984).
Het gaat hier om een bijzondere vorm van houtwallen, namelijk wildwallen die bestaan uit een dubbele wal. Volgens Hoogendoorn (1984) is Oud Reemst hiermee uniek in Nederland.
De toenmalige heer van Rosendael gaf omstreeks 1830 opdracht om aan de westzijde van Oud Reemst enkele lanen aan te leggen. Deze Oud en Nieuw Reemsterlanen werden beplant met beuken en deze hadden de grootste moeite om op de schrale grond te groeien (fig.87).
De boerderij aan de oostzijde van de Harderwijkerweg werd het Jagershuis genoemd en werd ook als herberg gebruikt.

Fig. 87 Militaire stafkaart van 1850. De Harderwijkerweg loopt nu dwars door Oud Reemst. Bron: Topografische en militaire kaart van het Koninkrijk der Nederlanden 1850. Bibliotheek Arnhem.

Ten zuiden van Nieuw en Oud Reemst is in de jaren ’30 van de 20e eeuw door werklozen als werkverschaffing veel productiebos aangeplant. Allemaal keurig op een rij percelen in monocultuur, want het bos moest economisch gewin opbrengen.

Nieuw en Oud Reemst nu

De boerderijen van Oud Reemst hebben de Tweede Wereldoorlog niet overleefd. Wat wel heeft overleefd is het oude akkerland met roggeteelt, houtwallen en van de herberg het bakhuis dat nu als woning dienst doet (fig.89). De boerderij aan de westzijde van de Harderwijkerweg is na de oorlog opnieuw opgebouwd.

Fig. 88 Oud Reemst in 2003. Alleen het oostelijke deel dat ligt op de Hoge Veluwe, is nog overgebleven. Het westelijke deel is nu in gebruik als moderne akker. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming van Provincie Gelderland).

Oud Reemst is één van de weinige plaatsen waar door middel van het houtwal- en heidelandschap nog duidelijk waarneembaar is welk functioneel verband er bestond tussen de cultuurlandschappelijke elementen en de omgeving (fig.90).
De vrijwilligersclub ‘De Vrienden van de Hoge Veluwe’ restaureerden in 1984 de houtwallen en men probeert om zoveel als mogelijk is, alles in originele staat te behouden. Men doet dat door gebruik te maken van in de omgeving voorkomende materialen en een mooi voorbeeld hiervan is het zogenaamde slietenraster, een hekwerk van in elkaar gevlochten dunne stammetjes (fig.91).

Fig. 89 De Harderwijkerweg in noordelijke richting. Links de na de oorlog gebouwde boerderij en rechts het vroegere bakhuis van het Jagershuis welke nu dienst doet als woning.

Oud Reemst wordt omringd door aan de ene het gebied van de Planken Wambuis en aan de andere kant door Het Nationale Park De Hoge Veluwe. Natuurmonumenten gaat hier een oud Veluws agrarisch landschap uit de beginjaren van de 20e eeuw herstellen. Met het zogeheten ‘omvormingsbeleid’ worden de exoten geleidelijk weggehaald en krijgt het eiken- en berkenbos weer een kans. Op het noordelijk deel van Oud Reemst werd al sinds de 15e eeuw landbouw bedreven en deze activiteit zal op biologische wijze worden voortgezet. Ouderwetse gewassen zoals rogge en boekweit zullen weer worden gecultiveerd en een deel van de houtwallen zal worden hersteld. Het zuidelijke deel zal grasweide worden waarop verschillende gewassen kans krijgen te groeien. De rasters worden weggehaald en een drinkpoel aangelegd waardoor er wild zal worden aangetrokken.

Fig. 90 De dubbele wildwal aan de westzijde van Oud Reemst.

Wel volledig intact blijven de monumentale Oud en Nieuw Reemsterlanen die rond 1830 met beuken werden beplant (fig.88, 92).
Aan het eind van de oorlog stond er op Oud Reemst in het beukenbos een geallieerd kanon opgesteld. De ingekerfde namen van de soldaten zijn nog altijd terug te vinden in de stammen van de bomen.

Fig. 91 Op Oud Reemst werden de houtwallen gerestaureerd waarbij men ook een zogenaamd slietenraster maakte, een hekwerk van in elkaar gevlochten stammetjes.

Fig. 92 De Oud en Nieuw Reemsterlanen die rond 1830 in opdracht van de toenmalige heer van Rosendael met beuken werden beplant, hebben de grootste moeite gehad om uit te groeien tot wat ze nu zijn vanwege de schrale bodem.

Waardering
Ouderdom:
Al in de 13e en 14e eeuw was het bezit van de gronden in handen van verschillende partijen hoewel de grenzen toentertijd nog niet nauwkeurig waren vastgelegd. De ouderdom komt hiermee op meer dan 100 jaar (legenda: 2).
Samenhang:
Oud Reemst bestaat uit een grondbewerkings- en bewoningvorm dat ligt langs het hoge en lage tracé van de Harderwijkerweg, dus de ligging werd sterk bepaald door de fysisch geografische gesteldheid (legenda: 2).
Oud Reemst maakt nu deel uit van het Nationale Park De Hoge Veluwe en wordt onderhouden door de vrijwilligers van deze vereniging die er de vroegere vormen van bebouwing realiseren. Hierdoor moet men Oud Reemst bezien in samenhang met andere objecten (legenda: 1).
Zeldzaamheid:
Binnen het gebied vormt Oud Reemst een betrekkelijk zeldzame verschijning. Het ontwikkelen van oude landschapsvormen komt hier in deze mate niet voor. Het terrein heeft een voorbeeldfunctie en kan dienen als onderzoeksgebied voor het Gelders Erfgoed. De cultuurhistorische waarde is dan ook groot (legenda: 2).
Als voorbeeld van oude landschapsgronden in stuifzandgebieden is Oud Reemst redelijk uniek binnen Nederland. Er zijn elders nog wel gerestaureerde Celtic fields en middeleeuwse akkers aanwezig maar deze zijn niet van die grootte welke hier te vinden is (legenda: 1).
Kenmerkendheid:
Oud Reemst kan als zeer kenmerkend voor dit gebied worden gezien. Het gebied geeft voorbeelden van elementen die alleen op dit soort gronden zijn ontwikkeld en heeft hierdoor een grote cultuurhistorische waarde. De dubbele wildwal is enigst in zijn soort en in Oud Reemst kan men duidelijk zien welk functioneel verband er bestond tussen de cultuurelementen en de omgeving (legenda: 2).
Gaafheid:
Bekijkt men het object vanuit middeleeuws oogpunt dan zijn er de nodige veranderingen doorgevoerd en is er weinig origineels meer te vinden. Als gerestaureerd object kent het een grote mate van gaafheid (legenda: 2).

Gebiedsafbakingen Hoge Veluwe

Waardevolle kunstmatige elementen in het landschap worden gevormd door de gebiedsafbakeningen. Een gebied zoals de Veluwe die voor veel verschillende doeleinden werd gebruikt vroeg om goed zichtbare afscheidingen. Al eeuwenlang was een juiste afbakening van de grenzen een voorwerp van aanhoudende zorg. Het woeste en onherbergzame terrein ten noorden van de stad dat altijd dun bevolkt is geweest, maakte een duidelijke grensmarkering schier onmogelijk.

Sloten konden vanwege de diepte van het grondwater niet gegraven worden en voor hekken waren de afstanden te groot en daardoor kostbaar.

Op de hoge droge gebieden had men andere soorten afscheidingen ontwikkeld van ter plekke aanwezige grondstoffen die in overvloed aanwezig en daardoor goedkoop waren. Het ging hier om bijvoorbeeld pollen en palen, houtwallen, beukenlanen, wildgraven en ringalleeën.

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen bestuurlijke begrenzing van rechtsgebieden,

natuurlijke afscheidingen om dieren buiten te houden en afbakening van eigendommen.

In de tijd dat de graven van Gelre zich de woeste gronden van de Hoge Veluwe hadden toegeëigend en hun horigen (onvrijen) het gebruikrecht uitoefenden waren markeringen van de gebieden nog niet nodig. Door de toename van de bevolking en de grote hoeveelheid schapen die voor de wol werden gehouden kreeg men te maken met een grotere druk op de gemeenschappelijke gronden. Hierdoor begonnen in de 14e eeuw de horigen zich te roeren en  meer persoonlijke vrijheid op te eisen.

Sommigen konden zich vrijkopen maar wilden wel blijven wonen op de grond die zij al van geslacht op geslacht voor hun heer moesten bewerken. Met het vrijkopen ontstond er een nieuwe rechtsverhouding. Het met lijf en leden gebonden zijn aan de heer werd in het vervolg een zakelijke verhouding: men pachtte voortaan goederen van zijn heer of men kon een stuk land in eigendom krijgen. Zij werden vanaf dat moment geërfden genoemd (Haak, 1996).

In die tijd, tussen 1313 en 1336, kwamen de ontginningsactiviteiten tot een hoogtepunt.

De snelheid waarmee vanuit bestaande en nieuwe dorpen en buurschappen de woeste of ongebruikte gronden werden omgeploegd, deed de behoefte ontstaan aan regulering en een nieuwe organisatievorm voor de grond. Maar niet alle woeste gronden konden worden ontgonnen; zij bleven voor een groot deel onmisbaar voor het weiden van de schapen en voor bemesting van de akkers in de vorm van plaggen. Daarom gingen de geërfden uit één of meerdere dorpen geleidelijk afspraken maken over het gemeenschappelijk gebruik en beheer van de woeste gronden; hieruit ontstond de marke, een soort coöperatieve vereniging van boeren, die duidelijke regels opstelde voor de markegenoten die gerechtigd waren tot het gebruik van de gronden (Haak, 1996).

Bij het ontstaan van de marken ontstond ook de behoefte de grenzen tussen de marken onderling en de bezittingen van andere landeigenaren duidelijker dan voorheen aan te geven. Deze zogenaamde limietscheiding is niet een grens tussen de akkers van de geërfden maar tussen grotere gebieden; dat konden marken zijn maar ook gebieden van andere eigenaren.

Behalve de geërfden die van oudsher rechten konden laten gelden, hadden na verloop van tijd ook andere bewoners zich langs de grens van de marke gevestigd, er een plaggenhut gebouwd en geprobeerd met het bezit van een paar schapen of door het maaien van de heide een bestaan te vinden. Deze in feite illegale bewoners wisten wel wat zij deden door zich juist langs de limietscheiding te vestigen waar niet voortdurend toezicht was en waar in de loop der tijd de grenzen vaak vervaagden. De geërfden waren niet erg gesteld op deze nieuwe bewoners. Toch hebben zij er in de meeste gevallen geen probleem van gemaakt en tolereerden de keuters zolang zij bereid waren aan de marke een zeer kleine pachtsom te betalen om zo het eigendomsrecht te erkennen. Was het leven voor de geërfden al niet makkelijk, voor de illegale keuterboertjes was het helemaal een harde strijd voor een karig bestaan. De condities waaronder zij moesten leven waren zo moeilijk dat maar enkelen de strijd konden volhouden. Dit was misschien ook de reden dat de geërfden weinig tegen de keuterboeren ondernamen in de verwachting dat zij het op den duur niet zouden volhouden. Toch is een dorp als Hoenderloo uit deze pioniers ontstaan (Haak, 1996).

Het ontstaan van de marke leidde automatisch tot een duidelijke afbakening van de beschikbare woeste grond die gemeenschappelijk eigendom werd van de geërfden.

Type grens
Er ontstonden door de jaren heen verschillende typen van grenzen die voor verschillende doeleinden werden gebruikt. Hieronder wordt aangegeven waaruit de grenzen konden bestaan en voor welk doel zij zijn ontwikkeld.
Pollen en palen.
De grens tussen schoutambt en schependom werd in het begin gevormd door pollen waar later de palen bij op kwamen te staan. De pollen waren zandheuvels die bekleed werden met heideplaggen ter voorkoming van verstuiving. Op die pollen werden houten palen geplaatst om de grens duidelijk aan te geven. Wanneer de landeigenaar rijk genoeg was, kon hij zelfs stenen palen laten maken met daarop zijn merkteken. Soms werden tussen de pollen als duidelijke afscheiding, bomen geplant.
Houtwallen
Bij wijze van perceelscheiding was het gebruikelijk om houtwallen aan te leggen. Daartoe werd om de akkertjes een soort dijkje opgeworpen, vaak van plaggen, met een geul ernaast. De wallichamen werden vervolgens beplant met veelal berken- of eikenhakhout. Zo diende een houtwal niet alleen als erfscheiding of als windscherm tegen het stuifzand maar ook als houtleverancier voor haarden en ovens en als eikenschorsleverancier voor de leerlooiers. Een van de hoofdfuncties van een houtwal was het weren van vee en wild van de kostbare ontginningen.
Wildgraaf
Een duidelijk te herkennen element in het landschap werd gevormd door de wildgraaf.
De wildgraaf is een gegraven versperring in het terrein bestaande uit een greppel en een wal en bedoeld om het grofwild buiten de landbouwgronden te houden. Het voorkomen van grofwild, met name herten en zwijnen die grote overlast voor de landbouw konden veroorzaken, hing samen met de aanwezigheid van bossen. Daarin vonden deze dieren beschutting en van daaruit ondernamen zij hun foerageer activiteiten naar de gewassen op de landbouwgronden.
De wildgraaf bestond uit een wal van een meter hoogte met daarvóór, aan de zijde van de woeste grond, de greppel waaruit de grond werd gegraven. De barrière werd nog verhoogd door boven op de wal een houten hek of een ander verhogend element aan te brengen. Op deze manier ontstond een hindernis met een hoogteverschil van ongeveer 2.5 meter. Uiteraard was dit hoogteverschil essentieel voor een geslaagde afweer tegen het wild met name tegen herten.
Ringalleeën
Om de grens van zijn heerlijkheid aan te duiden werd er door Lubbert Torck een Ringallee aangelegd die bestond uit een pad waarlangs beuken of berken waren geplant, soms in meerdere rijen naast elkaar. Op bepaalde afstanden van elkaar werden er soms ook grenspollen en palen geplaatst.
Rasters
In de tegenwoordige tijd gaat men steeds meer over op het plaatsen van afrasteringen om het wild te beletten uit te breken en om mensen er van te weerhouden een bepaald terrein te betreden. Om bepaalde dieren toch doorgang te verlenen zijn er verschillende soorten luiken ontwikkeld die voor elk dier verschillend is. Zo zijn er luiken voor wilde zwijnen, voor klein wild en de klaphekken voor mensen.

Gebiedsafbakingen pollen en palen

De jurisdictie van de stad Arnhem strekte zich uit over de stad en het zogeheten schependom, het buitengebied van de stad dat bestuurd werd door het schepencollege waaraan het zijn naam ontleende.
Teneinde een nieuwe grondslag voor de grondbelasting te kunnen bepalen was het nodig om de grenzen nauwkeurig vast te stellen. Men besloot om de bekende Gelderse landmeter Nicolaas van Geelkercken het gehele stedelijke grondgebied te laten opmeten en dat was in 1650 gerealiseerd.
Nadat stadhouder Willem IV de burgers in de Veluwse schoutambten en schependommen in 1750 het recht toekende om te jagen in het eigen territorium dienden wederom de grenzen nauwkeurig te worden vastgesteld ter voorkoming van geschillen. De provinciale landmeter Willem Leenen kreeg opdracht om alles na te meten en te laten afbakenen. Met dit werk was hij in 1756 klaar en wederom werden er pollen aangelegd waarop nu hardstenen palen werden geplaatst. De steenverkoper Nicolaas Plamont leverde de palen.
De grens werd gevormd door een rechte lijn tussen twee pollen. Bij het vaststellen van de grens moest vanaf iedere pol de volgende zichtbaar zijn. Belangrijk waren de zogenaamde ‘knikpuntpollen’ die op punten stonden waar de grens een knik maakte. Om verder alle onzekerheid over de loop van de grens weg te nemen werden tussen de knikpuntpollen de zogenaamde middelpollen aangelegd.

Fig. 93 Overzicht van door pollen afgebakende grenzen. Bron: W. H. V. Schaarsbergen.

De belangrijkste knikpuntpollen droegen allemaal een naam: de Terletpol, de Vredepol, de Braspol etc (fig.93).
Het kwam vaak voor dat de grenzen in de loop der tijd vervaagden of dat de markeringen met opzet werden verwijderd zodat men zijn gebied kon vergroten. Om die reden was het beter een doorlopende wal met greppel aan te leggen en op de wal zogenaamde scheibomen te planten waardoor het moeilijker werd de grens te laten verdwijnen. De greppel die als markering werd gegraven noemde men het kielspit naar de V-vormige onderkant van een schip.
De grond die uit de greppel kwam werd weer gebruikt om een wal aan te leggen. Het was niet de bedoeling een echte houtwal te vormen zoals die vroeger om de akkers werd aangelegd om het wild te weren maar slechts om door een wal en scheibomen de grens tussen eigendommen of in elk geval tussen de gronden die in gebruik waren te markeren. Vaak werden vrijstaande bomen in de grensmarkering opgenomen.
Om problemen bij het vaststellen van de grenzen te voorkomen werden de eigenaren en bestuurders van aanpalende gebieden uitgenodigd om als deskundige aanwijzers aanwezig te zijn en mede toezicht te houden bij het markeren van de grenzen. Sommige eigenaren lieten na afloop de definitieve markering vastleggen door een landmeter die daarvan een zogenaamde ‘Çaart der Limitten’ maakte.
Vaak werden berkenbomen als scheibomen gebruikt omdat zij tegen geringe kosten te planten waren en als pioniersbomen in de stuifzanden en op de onvruchtbare heidegrond in de meeste gevallen snel aansloegen. Bovendien vormden de berken met hun witte opvallende stammen langs zand- en landwegen niet alleen een karakteristieke lijn in het landschap. Zij staken bij maanlicht en nevel ook af tegen de donkere achtergrond zodat het voor de bewoners van de Veluwe makkelijker was hun weg ook in het donker te vinden. Wie kieskeuriger was of meer geld had, kon natuurlijk ook andere bomen zoals beuken of eiken planten om de grenzen van zijn gebied te markeren maar dat hing ook van de grondsoort af (Haak, 1996).

Pollen en palen tegenwoordig

Fig. 96 De ligging van de pollen tussen het schependom Arnhem en schoutambt Ede in 2003. Bron: Topografische kaart 2003 (met toestemming Provincie Gelderland).

Een enkele pol en paal is niet meer te vinden en veel zijn er moeilijk bereikbaar. De gebieden waarin zij staan zijn vaak niet toegankelijk omdat het terrein van defensie, de Hoge Veluwe of van het Nationale Zweefvliegcentrum is. Toch zijn er nog wel palen te vinden op hun oude plaats. We maken een rondgang met de klok mee over het onderzoeksgebied en beginnen bij het
driegemeentenpunt Ede, Arnhem en Renkum (fig.96).

Fig. 97 De Bijsenpol

Langs de gehele route, behalve op het open terrein, bestaat de grens tussen Ede en Arnhem uit een dubbele rij bomen, meest beuken die onderbroken worden door de pollen al of niet op een heuveltje. Zo is ook de situatie bij de Bijsenpol. Van deze pol is niet veel overgebleven. Het heuveltje waar hij op stond is praktisch weg en van de paal zelf rest nog ongeveer een meter. De paal heeft men kunnen redden bij de aanleg van de Amsterdamseweg. De pol is moeilijk te vinden, hij staat zo’n 80 meter voor de afslag naar het wegenwachtstation Planken Wambuis en 15 meter van de weg vandaan onderaan de helling van de weg (fig.97).

Fig. 98 De eerste middelpol. De pol staat langs het scheidingspad op 70 meter afstand van het bommenlijntje. De paal is in zeer goede conditie.

Langs de gehele route, behalve op het open terrein, bestaat de grens tussen Ede en Arnhem uit een dubbele rij bomen, meest beuken die onderbroken worden door de pollen al of niet op een heuveltje. Zo is ook de situatie bij de Bijsenpol. Van deze pol is niet veel overgebleven. Het heuveltje waar hij op stond is praktisch weg en van de paal zelf rest nog ongeveer een meter. De paal heeft men kunnen redden bij de aanleg van de Amsterdamseweg. De pol is moeilijk te vinden, hij staat zo’n 80 meter voor de afslag naar het wegenwachtstation Planken Wambuis en 15 meter van de weg vandaan onderaan de helling van de weg (fig.97).

Fig. 99 De tweede middelpol. Deze middelpol is van een ander type dan de voorgaande. Hij is veel ruwer gebikt en staat langs het scheidingspad ter hoogte van het heideveldje.

Fig. 100 De Goosenspol.

Na de Bijsenpol volgen er twee middelpollen die in prima staat verkeren (fig.98, 99).
Op het terrein van ’s Koonings jaght vinden we de Goosenspol. De top heeft eraf gelegen en is er provisorisch met metalen strips en schroeven weer op gezet. Links van de paal ligt het bommenlijntje. De pol staat niet zoals bij andere naamspollen in een knik (fig.100).

Fig. 101 De derde middelpol met verderop aan de rechterkant het Aalderinksveld. De top staat ernaast op de grond.

De derde middelpol ligt ook weer pal naast het bommenlijntje op de hoek van een weilandje. De top van de paal is er af en deze heeft men naast de paal op de grond gezet (fig.101).

Fig. 102 De Braspol.

De Braspol ligt ook weer in een knik. De dubbele rij boompjes dienen ook hier als afscheiding. De paal staat op een pol die is opgebouwd uit heideplaggen, opgevuld met zand en weer afgedekt met plaggen. Als enige van alle pollen is hier een inscriptie ingebeiteld: FP-EA-RVT (fig.102).
Volgens de oude kaarten heeft er nog een middelpol gestaan tussen de Bras en de Vredepol maar daar is niets meer van terug te vinden.

Fig. 103 De Vredepol.

De Vredepol staat op het punt waar de Kemperbergerweg een knik maakt en is nog compleet. Deze pol is het compromis van een grensconflict tussen boeren uit Deelen en de gemeente Arnhem (fig.103).

Fig. 104 De Nieuwpol, volop met mos begroeid. Even voorbij de pol is het afdak van een schuilbunkertje te zien. Hierlangs liep het bommenlijntje.

De nieuwpol is moeilijk te vinden. De originele paal is weg en er voor in de plaats is een klein betonnen paaltje gezet. Het geheel bevindt zich op het terrein van vliegveld Deelen. De originele paal is hoogstwaarschijnlijk weggehaald bij de bouw van bunkertjes die hier nog te vinden zijn (fig.104).

Fig. 105 De Doornstruijckpol. Let op het paaltje aan de rechterkant. Hij is waarschijnlijk gebruikt bij de rijksdriehoeksmeting. Hetzelfde soort paaltje staat ook op de Galgenberg.

De Doornstruijckpol behoort op het vliegveld te staan en stond vermeld als vermist. Bij de aanleg stond deze paal in de weg en is verplaatst. Nu staat hij op het punt waar de Hoenderlose weg een knik maakt. Eigenlijk zou de pol vijftig meter naar het noorden moeten staan aan de overzijde van de weg aangezien daar de grens loopt. De paal is beschadigd en er is nog maar zo’n anderhalve meter van over (fig.105).

Fig. 106 De Schaarsbergpol staat verdekt opgesteld op een heuvel. Niet te verwarren met één van de drie middelpollen die tussen de Schaarsbergpol en de Philipsbergpol staan.

Fig. 107 De drie middelpollen vlak in de buurt van de Hooilaan.

Fig. 107

Fig. 107

De Schaarsbergpol is een gave paal en staat op een fraaie hoge heuvel op het militaire oefenterrein ten zuiden van de Hooilaan (fig.106).
Tussen de Schaarsbergpol op het militaire oefenterrein en de Philipsbergpol die op het zweefvliegveld Terlet staat, staan kort bij elkaar drie middelpollen in de buurt van de Hooilaan. Deze drie zijn allemaal ongeveer een meter groot (fig.107).

Fig. 108 De Philipsbergpol met in stukken daarnaast de originele pol.

Midden op het terrein van het zweefvliegcentrum boven op een heuvel staat de Philipsbergpol tussen bomen en struikgewas. De originele paal ligt in stukken rondom een ervoor in de plaats gekomen klein betonnen paaltje. Hoogstwaarschijnlijk is de originele paal bij een bombardement dat hier heeft plaatsgevonden, beschadigd geraakt. Zeer moeilijk te
vinden vanwege het geboomte en struikgewas (fig.108).

Fig. 109 Het overblijfsel van de Terletpol.

De Terletpol stond tot 1953 op het driegemeentenpunt van Ede, Arnhem en Rozendaal. In dat jaar werden de gemeentegrenzen gewijzigd en raakte Rozendaal enkele en Ede enkele tientallen hectaren kwijt aan Arnhem. Het ging hierbij om een betere structuur in het beheer van en toezicht op de Apeldoornseweg te scheppen. Deze weg liep over een korte afstand achtereenvolgens door de gemeenten Arnhem, Rozendaal, Ede en Apeldoorn. Door de wijziging vielen de gemeenten Rozendaal en Ede uit. Voor Rozendaal betekende dit dat de grens over het gecorrigeerde traject vijftig meter ten oosten van het midden van de (toenmalige) asfaltlaag kwam te liggen. Hierdoor stond de pol niet meer op de plaats waar de grens zich bevond (Baltjes, 1995).
Omdat bij de aanleg van de A50 in 1986 de paal in de weg stond werd hij een stuk naar het noorden verplaatst en wel westelijk van deze weg.
Dacht men in 1990 nog dat de paal het hier voorlopig wel uit zou houden, niets is minder waar. Na lang zoeken vonden we de paal, plat op de grond liggend, met eroverheen een hekwerk geplaatst. Vermoedelijk heeft men bij de aanleg van het hekwerk de paal tegen de grond gewerkt en laten liggen, niet vermoedend dat het om een stuk cultuurhistorie gaat.
Van de paal rest nu nog een stuk van ongeveer 70 centimeter (fig.109).

Fig. 110 De Broukuijlenpol met aan de rechterkant de beukenboompjes die drie rijen dik de Rozendaalse ringallee vormen welke hier evenwijdig aan de weg loopt.

Ongeveer een kilometer ten zuiden van Terlet vindt men de Broukuijlenpol en dit is het punt waar de grenslijn tussen Rozendaal en Arnhem een knik maakt. De Broukuijlenpol staat in het gebied waar door afsmelting een slenk ontstond waar later een beek in de richting van Heelsum ging stromen. De kop van de paal is beschadigd maar hij is verder in goede staat (fig.110).

Niet alle limietscheidingen bestonden uit palen op een pol met daartussen scheibomen geplant. Op het Deelensche Veld bijvoorbeeld, in het gebied tussen Deelen en Otterlo, ligt een kilometers lang dijkje welke de grens aangeeft tussen deze beide plaatsen en die er eeuwen lang voor zorgde dat de schapen van Deelen niet op de hei van Otterlo konden komen en omgekeerd (fig.111).

Fig. 111 De wildwal op het Deelensche Veld is een voorbeeld van een wildwal zonder begroeiing. Deze wal diende om te voorkomen dat de schapen van Deelen op de hei van Otterlo liepen of andersom. Bron: Topografische kaart van de provincie Gelderland op last der edel groot achtbare heeren staten van dat gewest. W. Kuyk 1843. Bibliotheek Arnhem.

Gebiedsafbakingen Houtwallen

Het was zaak voor de scheper (herder) om het vee van het land van een ander (meestal deftige landeigenaren) af te houden, zulks op straffe van een fikse boete – tot deze betaald was, mocht de eigenaar van het land enkele stuks vee schutten oftewel als borg opsluiten. Maar ‘als jemand selver oorsacke tot schade van Beesten heeft gegeven, bij gebreke van sijn Landt, behoorlijck bevrijdt, off affgetuijnt te hebben en magh daer voor die Beesten niet schutten’ (Gelresche Land- en Stadsrechten uit 1619).

Dus ook op de eigenaar rustte de plicht van het omheinen van zijn akkers. Deed hij dat niet dan had hij nergens recht op.

Buiten deze praktische aspecten hadden en hebben houtwallen (hoewel zij voor dit doel nooit zijn aangelegd) nog een andere waarde. Het zijn van oudsher de broedplaatsen van allerlei zangvogels en bieden een schuilplaats aan veel kleine zoogdieren.

Er zijn in Nederland in het verleden talloze houtwallen aangelegd. Kort na het begin van de 20e eeuw hield men daarmee op. Ook het traditionele beheer van de wallen werd gestaakt. Dit kwam door de veranderingen op landbouwgebied. Landeigendom was nauwkeurig opgemeten en bij het kadaster geregistreerd, het prikkeldraad was uitgevonden, er was veel bos op de stuifzanden aangeplant, eikenschors kocht niemand meer en de aanleg en het beheer van de houtwallen was te arbeidsintensief geworden. De in de jaren na de Tweede Wereldoorlog ingezette schaalvergroting en ruilverkaveling hebben ook bijgedragen aan het verloren gaan van veel houtwallen en een deel van de vervlakking van de Nederlandse natuur is hierdoor veroorzaakt (Mönch).

Met het in beslag nemen door de Duitse bezetters van een groot stuk van het park De Hoge Veluwe in 1940 kwam ook het gebied van de Kemperberg in Duitse handen. Van oudsher kwamen hier veel houtwallen voor. Veel van de houtwallen verdwenen vervolgens bij de aanleg van het vliegveld.

Houtwallen nu

Op de Hoge Veluwe zijn vrijwel alle oude houtwallen bewaard gebleven. Men is hier nooit begonnen met grootschalige moderne landbouw want de landerijen werden immers in het eerste kwart van de 20e eeuw opgekocht en tot natuurpark bestemd. Helaas heeft men toen ook het traditionele hakhoutbeheer gestaakt waardoor het hout uitgroeide tot hoge bomen of afstierf (Nooren, 1986).

In het park zijn meer dan honderd houtwallen aangetroffen met een gezamenlijke lengte van ruim 25 kilometer. Vele van de houtwallen bevinden zich bij de Kemperberg en de Roggekamp tussen het park en vliegveld Deelen (fig.112) (zie Kemperberg).

De Kemperberger houtwallen bestaan nu zo’n 350 jaar en moesten de eigendomsgrenzen markeren, de akkers tegen wild en schapen beschermen en wind en stuifzand tegenhouden.

Op het eerste gezicht is zo’n houtwal niet bijzonder indrukwekkend: wat zware, ietwat grillig gevormde eiken op een zandrug die weliswaar bijna anderhalve meter hoog is maar schuilgaat onder gras en bladeren. Wallen als deze begrenzen de akkers aan alle kanten en meestal is aan één zijde een vage greppel waar te nemen.

Uit oogpunt van landschapsschoon zijn de houtwallen bijzonder mooi. Het probleem van de houtwallen is dat ze vroeger een functie hadden in de landbouw en dat ze tegenwoordig meer een museumfunctie hebben.

Fig. 112 Houtwal bij de Kemperberg

Doordat de cultuurgronden rond de nederzettingen later door nieuwe rasters zijn beschermd tegen het wild en in een aantal gevallen de oude enken opnieuw bebost zijn, kwamen de oude enk- en wildwallen meestal in het bos te liggen.